Tunesië is terug bij af

Tunis-avondklok.jpg
Foto: © AP

Gaat het dan toch ook mis in Tunesië? Nadat nog afgelopen najaar de Nobelprijs voor de vrede was uitgereikt aan een aantal organisaties die door hun beheerste optreden een cruciale rol hadden gespeeld bij de overgang van dictatuur naar democratie, lijkt het nu weer bergafwaarts te gaan. Onlangs hebben uitbarstingen van straatgeweld al tot de instelling van een avondklok geleid. Loopt daarmee dan toch ook het tot nu toe enige succes waarop de Arabische Lente kon bogen, ernstig gevaar?

De Tunesische demonstranten van vandaag hebben eigenlijk dezelfde klacht als die van een paar jaar terug, toen zij met hun opstand de zittende machthebbers ten val brachten: economische uitzichtloosheid, massale (jeugd)werkloosheid en nauwelijks enig zicht op vooruitgang. Alleen keerde men zich toen tegen een autoritaire dictatuur, nu tegen een democratisch gekozen regering. Die biedt in de ogen van sommigen zelfs zo weinig perspectief dat alweer de roep om een sterke man wordt vernomen. De diverse aanslagen, en het gevoel van onveiligheid die deze hebben gecreëerd, draagt aan die laatste roep niet weinig bij.

De weinig florissante economie: dat was en is de cruciale oorzaak van de grote maatschappelijke onvrede. Die aanslagen troffen Tunesië daarbij in haar economische achilleshiel: het toerisme, voor dit land – net als voor bijvoorbeeld Egypte – een cruciale inkomstenbron. En toeristen hebben wereldwijd één ding gemeen: dat zij massaal wegblijven uit een gebied waar het onveilig en onrustig is. Dat kan zijn vanwege interne strubbelingen, zoals chaos als gevolg van een revolutie, maar kan natuurlijk ook door aanslagen van buitenaf. Vooral het eerste maakt deze landen zo kwetsbaar, want nadat de toeristen als ongewenst bijeffect van een democratische opstand tegen een ‘stabiele’ dictatuur verjaagd zijn, keren zij niet direct terug, waardoor de nieuwe democratische regering, die uiteindelijk zijn electorale legitimiteit moet ontlenen aan economisch succes, aan de eigen achterban te weinig vooruitgang kan laten zien. Zo komt die vervolgens zwakker te staan tegenover zowel ongedurige kiezers als aanhangers van het oude regime, die kunnen zeggen: ‘Zie je wel, democratie is niets voor ons, toen we een krachtige leider hadden ging het allemaal stukken beter!’

Met die sterke afhankelijkheid van het toerisme (naast de olie) verkeren de Arabische landen, waar het de kansen op een succesvolle democratische start na een revolutie betreft, anno 2016 duidelijk in het nadeel vergeleken met de Oost-Europese in 1989. Daar vormde het veel minder een inkomstenbron van betekenis, zodat een (tijdelijke) teruggang van het toerisme door grote maatschappelijke onrust veel minder negatieve economische implicaties had, en dus ook niet zo’n hypotheek voor de nieuwe democratische regeringen vormde.

Kort na het uitbreken van de ‘Arabische Lente’ werd deze wel gezien als de Arabische variant van de Val van de Berlijnse Muur (9 november 1989); in de communistische dictaturen werden de machthebbers ook door massademonstraties ten val gebracht. Maar eerder dan met de (behalve in Joegoslavië) vreedzaam verlopende revolutie van 1989 laat zich de in bloedbaden uitlopende Arabische opstand van 2011 vergelijken met het niet minder bloedig eindigende revolutiejaar 1848. Ook toen een nog vergeefse poging om het autoritaire bewind in veel Europese landen door een democratischer te vervangen. Het zou, nadat in tal van staten die revolutie hardhandig was neergeslagen, vaak decennia duren tot het er inderdaad van kwam.

Een vergelijking met 1848 is echter ook, omgekeerd, zeer leerzaam vanwege een cruciaal verschil. Dat heeft te maken met de verwachtingen van de huidige demonstranten en hun van 1848 zo sterk verschillende tijdshorizon. Het is vrij evident dat de Arabische opstanden vanaf 2011 sterk gestimuleerd zijn door de aanwezigheid van een democratisch en welvarend Europa zo dichtbij. Veel Arabieren maakten kennis met Europa vanwege een eigen verblijf hier vanwege tijdelijk werk, dan toch wel van de verhalen van geëmigreerde familieleden.

Zij weten dus dat er in beginsel een alternatief bestaat voor de uitzichtloze dictatuur thuis – en dat dat alternatief, zoals zij ook in eigen land aan de hand van het massatoerisme van de Europese middenklasse kunnen constateren, niet slechts in immense rijkdom voor een beperkte bovenlaag (zoals in de Arabische wereld), maar in ongekende welvaart voor de meerderheid van de bevolking resulteert. Welvaart die in de Arabische landen zelfs voor jongeren die een universitaire opleiding genoten hebben, vaak buiten bereik is, omdat in een corrupte dictatuur de weinige lucratieve baantjes door een kleine coterie onderling worden verdeeld.

Is de Europese praktijk zo enerzijds een enorme stimulans voor de democratische gedachte in het Midden-Oosten geweest, voor de wens om het niet langer te pikken – anderzijds staat dit wenkende perspectief nú stabilisering van de democratie in de weg: men wil direct economische verbetering zien. Om te accepteren dat de positieve economische resultaten van een democratische omwenteling pas na decennia zichtbaar zullen worden: daarvoor ontbreekt, met het rijke Europese alternatief zo direct naast de deur, gewoon het geduld.

Een zelfde, op zich begrijpelijk, ongeduld zien we bijvoorbeeld ook in Zuid-Afrika, waar de zwarte bevolking van de afschaffing van de Apartheid een kwarteeuw geleden ook bijna het Paradijs verwachtte, en nu zwaar teleurgesteld afhaakt. Daarin ligt meteen het cruciale verschil met 1848: de democratische revolutionairen van toen konden zich van de huidige Europese welvaart geen enkele voorstelling maken, en dus was dat onder hun aanhang ook niet van invloed bij de beoordeling van hun eigen politieke resultaat.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.