Verdienen wat je krijgt

Trudy Coenen
Trudy Coenen
Docent Nederlands op het Montessori College Oost, een 'zwarte' vmbo-school in Amsterdam. Leraar van het Jaar 2010. Auteur van het boek 'Spijbelen doe je maar thuis: verhalen van een docent op het vmbo' (2013).

Lees meer

Er is een opmerkelijke trend gaande wat betreft de spreekbeurten in mijn klas. Ging het eerst meestal over onschuldige onderwerpen – het land waar een leerling zijn roots heeft, lievelingsdieren, hobby’s of andere bezigheden –, sinds een tijdje worden de onderwerpen steeds zwaarder. In de klas met leerlingen die voor Zorg & Welzijn gekozen hebben (zeventien meisjes, één jongen), passeren achter elkaar de meest tranentrekkende verhalen. Vorige maand schreef ik al over de spreekbeurt van een Syrisch meisje, een hartverscheurend relaas. Deze week was het ook weer ellende troef. Leerling vertelde over haar moeder die de eerste drie kinderen had moeten afstaan. Ze was pas veertien toen ze voor het eerst zwanger was. Mijn leerling was nummer vijf en woont inmiddels bij een tante. Maar dat was niet zonder slag of stoot gegaan, afijn, het was een lang verhaal en er viel weer menig traan.

Naar aanleiding van het verhaal van mijn leerling kregen we het over veilige seks, tienermoeders en het effect van een scheiding op kinderen. Dat er een effect bestaat, was uit de spreekbeurt wel duidelijk geworden. En kennelijk verbonden de kinderen er ook conclusies aan: ‘Als je seks wilt met een jongen,’ zei een leerling, ‘dan moet je het wel echt willen, want anders is het voor een kind ook niet leuk.’ Als dat de les is die eruit geleerd wordt, dan kan een spreekbeurt mij niet treurig genoeg zijn.

Een ander belangrijk leermoment is de verplichte stage in januari. Een week lang lopen en werken mijn leerlingen mee bij een bedrijf of organisatie. Soms vinden ze zelf een plek, vaak bij een kennis of vrienden van de ouders. Zo liepen Najib en Soufyan stage in een viswinkel ergens in Oost. Geen Volendamse sferen, dat was me snel duidelijk toen Najib vertelde wat voor zaak het was. ‘Juf, beter dan een Nederlandse visboer,’ zei hij trots. ‘Racist,’ zei ik. Wij lachen.

Van Dewi kreeg ik de derde dag een appje: ‘Juf Coenen, ik heb een probleem bij mijn stage. Ik vind de plek echt helemaal niet fijn en de sfeer ook niet. Ik probeer het steeds vol te houden, maar het lukt me echt niet meer. Heeft u een tip? Wat kan ik doen?’ Ik snapte er niks van. Mijn collega was langs geweest op stagebezoek en toen leek het allemaal goed te gaan. Dewi zat ergens in de buurt van Schiphol, bij een bedrijf van een vriend van haar vader. Ik belde haar op om te vragen wat er aan de hand was. ‘Juf, ik moet urenlang papier sorteren, ik heb allemaal sneetjes in mijn handen.’ Ah, dit klonk als een restbaantje – ingezet worden voor klusjes die niemand anders wil aanpakken. ‘Je mag gewoon zeggen dat vier dagen hetzelfde doen genoeg is en dat je de laatste dag ook andere dingen wilt doen’, instrueerde ik haar. ‘Maar ik snap het niet, meester Frans is toch langs geweest?’ Even was het stil. ‘Ja, maar ik durfde het niet te zeggen,’ zei ze. En mijn collega had zich niet gerealiseerd dat hij in aanwezigheid van de ‘baas’ geen eerlijk antwoord zou krijgen op de vraag: ‘Hoe gaat het hier?’ Want in aanwezigheid van de baas gaat alles natuurlijk goed. Althans bij de meeste kinderen.

Ook Osko had pech. Hij zou meelopen bij een reclamebureau, een heel klein bedrijf, maar dat had een prijs gewonnen en de eigenaar moest die in het buitenland ophalen. Dus de stage ging niet door. ‘Zoek maar wat anders,’ had ik gezegd. Maar dat had nog enige voeten in de aarde. ‘Heb je al wat?’ Drie ochtenden achter elkaar belde ik hem uit zijn bed en had-ie niks kunnen vinden. Dat schoot niet op.

‘En juf, ik ben zwaargewond,’ zei hij verontwaardigd de derde dag. Had een ongelukje met een snelkookpan gehad.  De verwondingen vielen echt niet in de categorie ernstig, dus de stage moest hoe dan ook gelopen worden. Uiteindelijk vond hij met veel moeite toch wat, ergens op een basisschool. ‘Volgende week ga ik beginnen,’ beloofde hij. ‘Volgende week? Maar dan hebben we toch gewoon school?’ zei ik. Ja, dat was ook de bedoeling. Het was heel slim bedacht, een soort spijbelen-voor-het-goeie-doel, maar zo werkt het niet. ‘Jij doet je stage in de vakantie,’ zei ik. ‘Geen discussie.’

Ik hoorde hem iets mompelen van ‘niet eerlijk’ en ik begreep wel waar het vandaan kwam. Bij een andere leerling was de stage ook niet doorgegaan, maar die leerling was hard op zoek gegaan naar iets anders en had meteen de volgende dag al een andere plek gevonden. Hem schonk ik die ene dag die hij niet gewerkt had; vier dagen stage was genoeg. Maar als je dat niet verdiend hebt, dan krijg je het niet.

Dat is dan ook weer zo’n goede les waar je later echt wat aan hebt.

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here