Vernietiging van erfgoed door IS is geen unicum

Nimrud-erfgoed.jpg
Foto: © Reuters

De bewuste destructie van het Assyrische erfgoed door jihadisten van IS in Irak, waarvan wij inmiddels al enige staaltjes op film hebben kunnen zien, vormt geen unicum. In het verleden zijn religieuze fanatici vaker tot de gerichte vernietiging overgegaan van wat zij als afgodenbeelden beschouwen, zij het dat daaronder meestal niet stadsmuren en soortgelijke toch tamelijk godsdienst-neutrale archeologische overblijfselen werden begrepen. De twee meest recente voorbeelden buiten het oude Mesopotamië vormden het opblazen van twee Boeddha-beelden door de Taliban in Afghanistan, en de systematische sloop van ‘foute’ islamitische heiligdommen in de oude Malinese handelsstad Timboektoe door de regionale terreurgroep Boko Haram.

In de Hollandse polder vormt de Beeldenstorm van 1566 een begrip; in diverse protestantse kerken kunt u nog de restanten bewonderen van heiligenbeelden die toen door een calvinistische volksmenigte werden onthoofd. Ook andere Europese landen hebben hun episodes van religieus gemotiveerde culturele zuivering gekend. In het Florence van de Renaissance gingen in 1497 op instigatie van de fanatieke monnik Savonarola een hele reeks van onchristelijke kunstwerken op de brandstapel. Goebbels was met zijn boekverbrandingen tijdens het Derde Rijk niet de eerste. En al de kerstening van het huidige Nederland ging tevens met de verwoesting van heidense heiligdommen gepaard. Mede om die reden hebben de Friezen in 751 Bonifatius bij Dokkum vermoord.

Doelbewuste vernietiging (dus niet als onbedoelde collateral damage in een militair conflict) van andermans cultureel erfgoed, om aan hardhandig de eigen (morele) superioriteit duidelijk te maken en de vijand te vernederen, hoefde overigens niet altijd religieus geïnspireerd te zijn. In de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) werden de Duitsers ervan beschuldigd bewust de Kathedraal van Reims – een van de meest grootse Franse monumenten van de gotiek – beschoten te hebben, zoals de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) zeker opzettelijk de Poolse hoofdstad Warschau hebben vernietigd om daarmee ook fysiek alles wat aan het bestaan van Polen herinnerde voor altijd uit te gummen.

En in hoeveel landen gaat een politieke omwenteling niet tenminste gepaard met de sloop van de openbare monumenten van het verdreven regime, van standbeelden van de gehate heerser, zelfs ongeacht hun eventuele artistieke waarde? Na de Franse Revolutie (1789-1799) was er al snel geen bronzen koning meer op een Frans stadsplein te vinden, zoals ook Stalin en Saddam later massaal van hun sokkel werden getrokken en zo het slachtoffer zijn geworden van wat de Romeinen als “damnatio memoriae” betitelden: als het uitwissen van hun herinnering.

Ongelovigen kunnen het soms dus ook, maar een fanatieke geloofsovertuiging, die snel gepaard gaat met de behoefte de wereld van alles wat het ware geloof in strijd is te zuiveren, helpt wel. In naam van de juiste God moesten al in de Oudheid de tempels voor de foute God(en) met de grond gelijk worden gemaakt.

Een andere geliefde methode om de zege van het ware geloof zichtbaar te maken was natuurlijk de overname en omvorming van andermans heiligdommen. Zo werd menige klassieke tempel later tot katholieke kerk omgebouwd, werd de Grote Moskee van Cordoba na de verdrijving van de Arabieren van het Iberisch Schiereiland een kathedraal, en is omgekeerd de hoofdkerk van de Grieks-orthodoxe christenheid, de Hagia Sophia, na de Ottomaanse verovering van Constantinopel (1453) in een moskee veranderd. Ook dat ging natuurlijk meestal gepaard met de verwijdering van alle liturgische onderdelen die tezeer aan de overwonnen religie herinnerden en met de eigen in strijd waren. Vooral kunstvoorwerpen die mensen afbeeldden – zowel sculpturen als schilderijen – liepen dan groot gevaar.

In het verleden is zodoende nogal eens wat van grote waarde van de ondergang gered, doordat het – achteraf gezien – bijtijds illegaal door buitenlanders was geroofd of gekocht, iets wat haaks staat op de huidige UNESCO-uitgangspunten voor behoud van nationaal erfgoed. Befaamd in dit verband is de kwestie van de zogeheten Elgin Marbles in het British Museum in Londen: de grote reliëfs die door lord Elgin, Brits gezant in ?stanbul, in 1801 met toestemming van de toenmalige Turkse autoriteiten van het Parthenon in Athene waren weggenomen, en vandaag door de Grieken – met het argument dat de Turken niet bevoegd waren om Grieks erfgoed te verkwanselen – worden teruggeëist. Zeker is één ding: als Elgin ze niét had meegenomen, verkeerden ze nu in een slechtere staat.

Regelmatig keren de laatste tijd daarom vooral door westerse archeologen in de 19e eeuw in het kielzog van de westerse kolonisatoren opgegraven kunstvoorwerpen terug naar hun oude plek. De belangrijkste stukken uit het oude Egypte, Mesopotamië en Perzië houden veel Europese musea echter toch nog maar liever zelf. Dat is voor die voorwerpen voorlopig misschien ook wel zo veilig, zolang het Midden-Oosten geteisterd wordt door geloofsfanatici die op hun vernietiging uit zijn. Nog afgezien daarvan dat – door gebrek aan geld en specialistische kennis – ook de zorgvuldige conservering daar vaak nog te wensen overlaat. Je moet er niet aan denken dat straks pakweg het gouden Masker van Toetanchamon, waarvan een afgebroken stukje baard recent in het Egyptisch Museum in Caïro met een soort velpon weer aan de rest schijnt te zijn vastgeplakt, nog eens in handen van de IS-beeldenstormers valt.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus. Hij promoveerde in 1994 op een proefschrift over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk. Daarna was hij onderzoeker aan de universiteiten van Utrecht, Leiden en Amsterdam.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.