VS moet waken voor Iran

Foto: Reuters
Het heeft in de Nederlandse pers amper aandacht gekregen: het opmerkelijke pleidooi van de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Javad Zarif in The New York Times om in VN-verband het wahhabisme – de staatsideologie van Saoedi-Arabië – te bestrijden, om zo een eind te maken aan de fundamentalistische terreur. Al eerder, vrijwel exact drie jaar geleden, had deze Amerikaanse krant zich geleend voor een soortgelijk opmerkelijk opiniestuk van buitenaf, van Vladimir Poetin, waarin hij het Amerikaanse exceptionalistische wereldbeeld – op grond waarvan Washington bijzondere rechten om elders te interveniëren claimt – hekelde.

Beide publicaties zijn opmerkelijk, omdat anti-westerse autocraten zelden een westers blad zullen uitkiezen om daar op de opiniepagina tussen jan en alleman te staan, en omgekeerd westerse bladen zelden hun kolommen voor autocraten vrijmaken. De vrijheid van meningsuiting: de kampioenen daarvan laten niet graag tegenstanders daarvan aan het woord, en de tegenstanders moeten van nature weinig van de media hebben die die belichamen.

Een oproep van de minister van Buitenlandse Zaken van het belangrijkste sjiitische land aan de godsdienstig neutrale VN om aan de heilsleer van de ideologische aanvoerdersstaat van het soennitische kamp een einde te maken: dat is zo’n beetje alsof protestanten langs deze weg het Vaticaan willen uitschakelen, of de paus zo alsnog zijn gelijk tegenover Maarten Luther (1483-1546) wil halen.

Het moet gezegd: net als Poetin indertijd, had Zarif nu een punt. De godsdienstig geïnspireerde terreur waarmee het Westen sinds twee decennia kampt, is van soennitische en niet van sjiitische huize, en wordt ideologisch sterk door Saoedi-Arabië gevoed en in het verlengde daarvan deels door Saoedische particulieren gefinancierd. Dat gold indertijd voor al-Qaeda zo goed als nu voor IS. En ook de Taliban horen religieus thuis in die hoek.

Iran heeft in dat opzicht altijd een consequente lijn gevolgd. Na 9/11 was het er als de kippen bij om op dit punt het getroffen Amerika de helpende hand te bieden: de Afghaanse beschermheren van Osama bin Laden (1957-2011), de Taliban, waren de aartsvijand van Teheran. Ze werden daarentegen gesteund door de Amerikaanse bondgenoot Pakistan, terwijl de aanslagplegers zelf grotendeels afkomstig waren uit Saoedi-Arabië, die andere belangrijke aloude Amerikaanse bondgenoot in de regio. Een ongemakkelijke bondgenoot, om met VVD-fractiewoordvoerder Han ten Broeke te spreken, maar ook in zijn ogen nog steeds een boven alle anderen te prefereren bondgenoot.

Dat Washington in 2001 de toen uitgestoken hand van Teheran niet heeft aangenomen, had drie redenen: Israël, omdat Iran als haar aartsvijand gold, Saoedi-Arabië, omdat de olie boven alles ging, en het favoriete concept van George W. Bush, ”de as van het Kwaad”. Daarin was het theocratische Iran van de ayatollahs broederlijk naast het seculier-dictatoriale Irak van Saddam Hussein (1937-2006) ondergebracht – terwijl die in werkelijkheid elkaars grootste anti-poden waren, zodat dan ook geen land zozeer van de val van Saddam heeft geprofiteerd als Iran.

Ook Noord-Korea zou overigens van ”de as van het kwaad” deel uitmaken, terwijl dat er toch werkelijk niets mee te maken had. Aan het kwaad van het bewind van de Kims hoeft men niet te twijfelen – alleen is van welke as naar het Midden-Oosten ook geen enkele sprake, toen evenmin als nu.

Dat Teheran een punt heeft, wil niet zeggen dat het zelf op het vlak van (staats)terroristisch geweld helemaal vrijuit gaat. Door de onvoorwaardelijke steun aan Hezbollah in Libanon en Bashar al-Assad in Syrië kleeft ook aan de handen van Teheran het nodige (moslim)bloed. En de aloude religieuze rivaliteit, die zich in permanent geïntrigeer over en weer vertaalt, heeft ook geopolitieke oorzaken: het is de meer dan tweeduizend jaar oude strijd tussen Perzen en Arabieren om het machtsoverwicht in de regio.

Het wantrouwen zit wederzijds diep, en leidt regelmatig tot scherpe aanvaringen, zoals nog recent bij de Saoedische executie van sjiitische geestelijken en het meestal chaotische, herhaaldelijk tientallen slachtoffers-in-het-pelgrimsgedrang kostende verloop van de hadj naar Mekka, dat in Iraanse ogen het Saoedische onvermogen om dit in ordentelijke banen te leiden demonstreert. Een constatering die door Teheran niet zonder politieke bijbedoelingen wordt gemaakt.

Omdat het religieuze en het politieke in het Midden-Oosten zo nauw met elkaar verweven zijn, dient de buitenwereld met elk partijkiezen terughoudend te zijn, zodra door één van de betrokken partijen onder een religieuze dekmantel politieke doelen nagestreefd worden, of met een beroep op politieke problemen het bereiken van een religieus overwicht moet dienen. Omdat de cruciale controverse tussen soennieten en sjiieten alleen door henzelf van het bijbehorende ontploffingsgevaar ontdaan kan worden, moet het Westen zich ervoor waken zich te gemakkelijk voor het karretje van één der betrokken partijen te laten spannen. Dat is in het verleden te vaak gebeurd, en daardoor zit het Westen te veel in het soennitische kamp, met naast Saoedi-Arabië Turkije en Egypte als vaste bondgenoten.

Geboden is een politiek van evenwicht, waarbij de gematigde krachten, die de – op zich duurzame – religieuze verschillen niet op de spits willen drijven, ondersteuning verdienen. Tegelijk kan men er niet omheen, Riyad op haar militante fundamentalistische ideologie aan te spreken. Dat te doen zonder het verlengstuk van de ayatollahs met hun eigen bijbedoelingen te worden, vergt van de nieuwe Amerikaanse president een niveau van staatsmanschap, waarover Hillary Clinton misschien, maar Donald Trump zeker niet beschikt.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.