Waarom Obama moslims gezegende ramadan toewenst en Rutte niet

OBAMA-RUTTE-Ramadan.png
Foto: © Reuters. Mark Rutte & Barack Obama in de Oval Office in het Witte Huis (29 november 2011).

Uitgerekend met ramadan wordt een interessante culturele scheidslijn binnen de christelijke westerse wereld zichtbaar, tussen enerzijds de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk en anderzijds het Europese continent. In Washington en Londen is sprake van officiële felicitaties van president Barack Obama en premier David Cameron, en wordt van regeringswege van alles georganiseerd. In het Witte Huis wordt zelfs een iftar [avondmaaltijd die tijdens de vastenmaand ramadan genuttigd wordt na zonsondergang, red.] gegeven, waarvoor prominente Amerikaan­se moslims worden uitgenodigd. In Nederland en onze Europese buurlan­den gebeurt dat niet.

Het contrast suggereert dat men in de angelsakische wereld daarmee de moslims zo, door ook hun feestdagen daarmee tot een soort nationale op te waarderen, doelbewust het gevoel wil geven dat ze erbij horen, en op het Europese continent niet. Dat eerste zal zeker het geval zijn, en hangt met een langdurige immigratiegeschiedenis samen. De VS ziet zichzelf vanouds als immigratieland, en iedere Amerikaan weet precies wanneer ‘hij’ gekomen is, ook als het zijn bet-bet-bet-overgrootouders betreft. Geen Europeaan die dat weet, want tot de Grote Volksverhuizing van de vijfde eeuw reiken de kerkelijke doopboeken niet terug. Voor zijn gevoel was hij hier dus ‘altijd’. Eigen-volk-eerst kan daarentegen in Amerika moeilijk politieke leuze worden, want wie zou een blanke Ameri­kaan daarmee dan moeten bedoe­len? De indianen? Hetzelfde probleem doet zich voor met de andere oude Britse vestigingskolonieën Canada, Australië en Nieuw-Zee­land.

Nationale identiteit heeft daardoor in de VS vanouds niets met afstam­ming en etniciteit te maken, zoals in Europa of de Arabische wereld: je wordt in zekere zin niet als Amerikaan geboren, maar tot Amerikaan gemaakt, door je Amerikaans te gedragen en voortdurend trouw te zweren aan het land; vandaar ook al die ceremonies met vlaggen op scholen, om dat er al vroeg in te hameren. Een Europeaan zweert aan niets trouw, en ziet al dat gedoe dus ook met verbazing aan. Hij is toevallig Nederlander of Duitser, omdat hij in Nederland of Duitsland geboren is, en/of van Neder­landers of Duitsers afstamt. De meeste oudere West-Europese lan­den – Nederland vormt met zijn opstand tegen de Spanjaarden een rare uitzon­dering – zijn gaandeweg ontstaan dankzij de huwelijks- en verove­ringspoli­tiek van koningen; de meeste jongere Oost-Europese ontstonden op basis van etnische en taalkundige criteria. De VS is daarentegen bewust gesticht op grond van een maatschappelijk ideaal, als een soort christelijke heil­staat – Gods Own Country.

Dat betekent dat godsdienst in de VS tot op de dag van vandaag politiek een belangrijke rol speelt. Daarbij is belangrijker dát men gelooft, dan wát men gelooft. Anders dan in Europa kiest men nog eerder een boeddhist tot regeringsleider dan een atheïst; die is electoraal volstrekt kansloos. Ook in Europa speelde religie vroeger weliswaar politiek een belangrijke rol, maar dat is intussen een stuk minder geworden. Het belang­rijkste verschil: ook al bestaat in de meeste Europese landen sinds de tijd van de Franse Revolutie godsdient­vrijheid, traditioneel zijn ze, behoudens een paar uitzonderin­gen, ofwel duidelijk katholiek ofwel duidelijk protes­tant. Andere kerkge­nootschap­pen waren eeuwenlang officieel verboden en hun aanhan­gers werden hooguit gedoogd.

Er bestond meestal een nauwe band tussen de koning en het officiële kerkge­nootschap. Bij de internati­onaal georganiseerde katholieken stond uiteraard de paus aan het hoofd, maar bij veel protestantse kerken, die per staat waren georga­niseerd, was dat de vorst zelf. Daar­mee zijn de bij het vroegere als enige officiële toegestane kerkge­noot­schap beho­rende feestdagen in die landen inmiddels automatisch algemene feestdagen geworden. Omdat tegelijk met de scheiding van kerk en staat ook de vrijheid en gelijkheid van alle kerkgenootschappen de regel werd, hebben die nationale kerkgenootschappen hun officiële rol verloren; tegelijk blijft hun erfenis wel van belang voor de cultuur in een bepaald land. Nog steeds loopt er door Europa een duidelijke mentale scheidslijn tussen de katholieke en de protestantse helft.

Maar godsdienst is privézaak geworden; in Frankrijk zelfs officieel. De scheiding van kerk en staat is hier zo strict doorgevoerd dat ook particulie­re uitingen van godsdienst in de openbare ruimte worden tegengaan; denk aan de ­dis­cussie over hoofddoekjes op scholen of het boerka­verbod. Dat godsdienst steeds meer privézaak is geworden, is ook het antwoord op de godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventien­de eeuw, toen katholie­ken en protestanten elkaar evenzeer naar het leven stonden als soennieten en sjiieten in het huidige Midden-Oosten. Ook daarop gaf de scheiding tussen kerk en staat ant­woord: de juiste godsdienst was zo niet langer rege­ring­zaak. In Neder­land, dat, anders dan het vanouds katholieke Frankrijk, vanaf het begin uit religieuze minderhe­den bestond, vormde de verzuiling de oplos­sing, met het befaamde CDA-leerstuk van ”souvereini­teit in eigen kring”: iedere religieu­ze groepe­ring zoekt het zelf maar uit, de overheid houdt zich erbuiten.

Daarmee ligt ook officiële bemoeienis van overheidswe­ge met religieuze feesten niet voor de hand; integratie verloopt niet via kerk of moskee. Omdat de meeste Europese landen zich bovendien niet als immigratielan­den beschouwen, is de neiging om op dit vlak een handrei­king te doen vrij gering; omdat migranten vrijwillig gekomen zijn, voelt men zich tot niets verplicht.

In het Verenigd Koninkrijk bestaat daarentegen nog steeds een officiële staats­kerk – met de koningin aan het hoofd – die ook nog, met leden in het Hogerhuis, een politieke rol vervult. En de Britten hebben nadrukkelijk de inwoners van hun voormalige imperium – dus ook bijvoorbeeld islamitische Pakistanen – het recht gegeven om zich in Engeland te vestigen. Dat brengt, omdat het Britse imperium nu eenmaal alle wereldreligies herbergde, automatisch een andere, meer multiculturele aanpak mee. Dat ligt dan meer voor de hand dan in het geval van pakweg Duits­land, dat nu welis­waar dankzij arbeidsmigratie enkele miljoe­nen Turken telt, maar nooit een groot imperium in andere werelddelen heeft opge­bouwd. Dat geldt uiteraard ook voor de meeste kleinere Europese landen. Dat resulteert in een andere instelling jegens migranten: verwacht geen aanpassing van ons aan jullie, wij blijven de dingen doen zoals we gewend zijn, en daar hoort beperking van religie tot de privésfeer bij. Dat vloeit niet zozeer voort uit nadrukkelij­ke afwijzing van iets wat veel moslims, kijkend naar Obama en Cameron, misschien zouden willen om meer het gevoel te hebben erbij te horen, alswel uit onverschil­ligheid.

De VS kent weliswaar geen staatskerk als Engeland, maar het maat­schappelijk belang van religie wordt er algemeen onderkend. Omdat daar geen godsdienstoorlogen gevoerd zijn en zo het idee een katholiek of protes­tant land te zijn veel minder onderdeel van de nationale identiteit vormt dan in Europa, is de vraag tot wèlk kerkgenootschap men behoort, van minder politiek belang. Alle godsdiensten zijn gelijk, en omdat gods­dienst tegelijk als zodanig op een voetstuk staat, zal een Amerikaanse president het veel vanzelfsprekender vinden om zich op islamitische feestda­gen tot zijn islamitische landgenoten te richten dan een Nederlandse premier ooit zal kunnen: in Nederland blijven de eigen traditionele feestda­gen, die voor de meesten allang hun religieuze karakter verloren hebben, de ‘echte’ en die van nieuwkomers tweederangs. Maar afgezien van de ­puur privé-toespraak van de koning(in) op 25 december, houdt de overheid ook met Kerst, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren, compleet haar mond.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.