Wat dwingt VS tot terughoudendheid in Midden-Oosten?

us-f16-reuters.jpg
Foto: © Reuters

In zijn opiniestuk Turkije, de VS en de regionale bende (Zaman Vandaag, 24 augustus 2015) stelt Yavuz Baydar dat niet zozeer het gebrek aan een duidelijke Turkse koers het meest problematische is, maar “de halfhartige betrokkenheid en onvolledige Amerikaanse strategie ten aanzien van Syrië”.

Het valt niet te ontkennen dat de Verenigde Staten onder Obama inderdaad een duidelijke strategie dienaangaande ontberen. Maar de hamvraag is, of de VS in de huidige omstandigheden überhaupt wel zo’n duidelijke strategie zou kúnnen hebben. Wordt hier de macht en het belang van Washington niet een beetje overschat? Om resultaat te boeken is Obama te zeer afhankelijk van factoren en spelers waarop hij eigenlijk geen invloed heeft.

Allereerst zijn duidelijke strategieën in het recente verleden, waarbij het Witte Huis er wél vanuit ging de zaak naar de hand te kunnen zetten, niet steeds succesvol gebleken, om het mild te zeggen. Als Amerika niets doet, zoals in Syrië, wordt het misschien wel een chaos, maar als Amerika van alles doet, zoals in Irak en Afghanistan, gebeurt dat dus ook. En de Libische tussenoplossing, die nu in zekere zin ten aanzien van IS en de Koerden wordt herhaald – militaire steun op afstand – blijkt ook niet de weg naar het paradijs te plaveien. De kern van de problemen zit in de door Arabische potentaten voor eigen politiek gewin geëxploiteerde wederzijdse haat tussen etnische en godsdienstige groeperingen. Andermans samenleving van buitenaf verbouwen, zoals de neo-conservatieven onder Bush geprobeerd hebben: dat gaat niet, en eindigt snel in een gruwelijke ramp.

Eén en ander heeft niet alleen begrijpelijkerwijs Obama kopschuw gemaakt voor al te grootste strategische plannen, maar ook de eigen bevolking en het door die bevolking gekozen Congres, waarvan de Amerikaanse president zich – anders dan zijn Turkse collega – sterk afhankelijk weet. Elke meer dan halfhartige betrokkenheid zal in de praktijk namelijk vooral allereerst in meer militaire betrokkenheid resulteren, en het Amerikaanse volk is duidelijk oorlogsmoe. Wat niet uitsluit dat Washington een koerswijziging in die zin over een tijdje toch nodig gaat achten, als IS uiteindelijk toch niet verslagen wordt en evenmin vanzelf blijkt te imploderen, waarop Jan Jaap de Ruiter nu zijn hoop heeft gevestigd (IS: het begin van het einde?, Zaman Vandaag, 26 augustus 2015).

Voor succesvolle heelhartige betrokkenheid is Amerika bovendien sterk afhankelijk – zowel materieel als moreel – van de steun van belangrijke spelers in de regio zelf. Punt is, dat die er, al dan niet heimelijk, veelal een eigen agenda van prioriteiten op na houden, die niet bepaalt één op één met de Amerikaanse spoort, wat Washington dus tot een voortdurend schipperen en afdingen op een eigen rechtlijnige koers dwingt.

Dat begint al met Israël. Ofschoon als geen ander land aangewezen op een goede verstandhouding met Washington, is die relatie nu volkomen verzuurd. Netanyahu is er niet voor teruggedeinsd om alles wat binnen zijn bereik lag in te zetten om te verhinderen dat het tot een nucleair akkoord met Iran zou komen – iets, waarin Obama nu net weer juist wèl een heldere koers vaart. En ten aanzien van Syrië vormt Assad voor Israël het kleinere kwaad: de duivel die je kent. Iran geldt voor Israël als het grotere kwaad – precies omgekeerd dus aan de visie van Washington.

Die Israëlische obsessie met de ayatollahs staat een verbetering van de eigen verhoudingen met Turkije, een tweede land waarop Amerika – omdat het ook een mede-NAVO-lid betreft – graag bouwt, in de weg. Voor Erdogan is Assad ook de duivel die hij kent, maar dat maakt hem geenszins milder, integendeel. En op Syrische bodem vreest hij minder een machtig ‘kalifaat’ dan een machtig ‘Koerdistan’. Is de rangvolgorde van kwaad naar minder kwaad voor Amerika IS-Assad-PKK, voor Turkije is die omgekeerd, wat de afgelopen maanden tot zeer veel dubbelzinnig opereren in Ankara heeft geleid.

Saoedi-Arabië heeft evenzeer haar eigen agenda: IS is vooral een gevaar omdat het een ideologisch-theologische concurrent voor het eigen regime vormt, omdat IS het Saoedische wahabisme in fundamentalistische ‘zuiverheid’ overtreft. Terwijl het IS dus militair zal willen bestrijden – ook als aartsvijand van Iran, dat Assad de hand boven het hoofd houden blijft – is Riyad tegelijk niet van zins veel te doen tegen de export van radicale ideeën en geldstromen naar IS door eigen onderdanen: de zelfbenoemde kalief heeft ze niet van een vreemde.

Tenslotte Iran: als sjiitisch land objectief bondgenoot in de strijd tegen de soennitische IS, en daarmee in deze kwestie onverhoopt in hetzelfde kamp als Israël. Maar als beschermheer van het sektarische bewind in Bagdad heeft het wel toegelaten dat de voedingsbodem voor IS geschapen werd, door de sjiitische onderdrukking en achterstelling van de soennitische minderheid in Irak.

Zet in het licht van deze complexe puzzel dan maar eens halfhartige betrokkenheid in een heelhartige, en een onvolledige in een volledige strategie om! Dat is nog eens extra moeilijk door de blokkades die Rusland en China direct in dreigen op te werpen, zodra zo’n volledige strategie tot concreet handelen dreigt te leiden. Die twee grootmachten zijn niet vergeten hoe het mandaat van de Verenigde Naties ten aanzien van Libië indertijd gaandeweg is opgerekt: van bescherming van de bevolking tegen terreur van Kaddafi werd uiteindelijk de facto steun voor een revolutie. Moskou en Peking hebben daaruit één zeer heldere conclusie getrokken: dat overkomt ons niet nog een keer. Ook dat dwingt Washington tot grote terughoudendheid.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus. Hij promoveerde in 1994 op een proefschrift over de politieke en ideologische aspecten van de monumentencultus in het Heilige Roomse Rijk. Daarna was hij onderzoeker aan de universiteiten van Utrecht, Leiden en Amsterdam.

DELEN
Jan Jaap de Ruiter
Arabist aan de Tilburg University.