Wat Nederland kan leren van vluchtelingenkamp Shatila

Foto: Reuters

Een jonge vrouw legt in uitstekend Engels in twintig minuten de vele activiteiten van haar onderwijsorganisatie uit. Ze praat snel en soms slaat haar stem over omdat haar ademhaling de woordenstroom niet bij kan houden. Ze heeft het over voortijdige schoolverlaters, het belang om moeders te betrekken bij het onderwijs van hun kleine kinderen en innovatieve onderwijsmethodes voor kinderen met leerproblemen. Deze presentatie zou overal kunnen zijn: in Slotervaart, Amsterdam, de Bronx in New York of East London. Maar als wij het pand van de onderwijsorganisatie uitstappen staan we in één van de oudste vluchtelingenkampen ter wereld: het Palestijnse vluchtelingenkamp Shatila. Als je in de smalle straat omhoog kijkt zie je dat op elke kleine woning voor elke nieuwe generatie van de families een nieuwe verdieping op het oorspronkelijke ouderlijk huis is gezet. De meeste woningen hebben nu zes of zeven verdiepingen, verpakt in een spinrag van elektrische bedradingen. Op één vierkante kilometer wonen nu zo’n 28.000 mensen. Een Palestijn kan nooit een Libanese staatsburger worden en zelfs de kleinkinderen van de vluchtelingen uit 1948 worden weer als vluchteling geboren. Het vluchtelingschap wordt officieel overgeërfd.

Recent zijn er nieuwe bewoners in Shatila bijgekomen. Zo’n achthonderd gevluchte Palestijns-Syrische families zijn op deze overbelaste plek aangewezen, omdat ze volgens de Libanese overheid onder de verantwoordelijkheid van de Palestijnse autoriteiten in Libanon vallen. Deze vaak omvangrijke families worden door de bewoners van het kamp gehuisvest in hun eigen woningen, door er nóg een verdieping op te bouwen of een kamer voor hen vrij te maken. Eén op de acht Palestijnen in het kamp is nu gevlucht uit Syrië. Ze zijn door de eerdere Palestijnse bevolking gastvrij ontvangen, maar hun komst heeft een hoge prijs. Het al slecht functionerende riool in het kamp kan de extra druk niet aan, het elektriciteitsnet laat het om de haverklap afweten door overbelasting en zelfs drinkwater is schaars.

Palestijnen weten uit ervaring dat ze niet moeten wachten op de Libanese overheid of de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties. Ze moeten het al jaren zelf doen en daar vloeit voor ons in het rijke Nederland een belangrijke les uit voort. Juist omdat ze het zelf doen ziet hun opvang er heel anders uit dan hier en voorkomen ze een aantal problemen dat wij ervaren. In Nederland worden vluchtelingen lang apart in vluchtelingencentra geplaatst, geïsoleerd van de bevolking. Ook de kinderen worden eerst twee jaar apart onderwezen in internationale schakelklassen. Dat is een belangrijke blokkade voor hun integratie. Juist samen met andere Nederlandse kinderen in de klas kunnen ze spelenderwijs Nederlands leren. Juist van Nederlandse buren, van welke achtergrond dan ook, kunnen ze over de Nederlandse samenleving leren. In Shatila gaan de Palestijnse kinderen uit Syrië en Libanon samen naar school. Veel kinderen uit Syrië zijn jaren niet naar school geweest en hebben ernstige trauma’s. De leerkrachten en professionals hadden kunnen beslissen om deze kinderen apart les te geven met het argument dat hun aanwezigheid de leerontwikkeling van de Palestijns-Libanese kinderen ondermijnt. Maar vanuit hun ideologie van solidariteit en hun cultuur van gastvrijheid vinden ze dat gewoonweg geen optie. De meeste Palestijns-Syrische kinderen voelen zich daarom vanaf dag één thuis en geaccepteerd. Ook hier geldt: de mensen die het minst hebben zijn vaak diegene die het meest geven.

DELEN
Maurice Crul
Onderwijssocioloog. Hoogleraar Onderwijs en Diversiteit aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Erasmus Universiteit Rotterdam.