Wie kritiek heeft op islam wordt weggezet

Foto: Reuters
Onlangs waagde ik mij in een opiniestuk in de NRC aan het onderwerp van de hoofddoek van moslima’s. Kern van mijn betoog was dat volgens mij een hoofddoek niet nodig is om het geloof te beleven. In mijn perceptie is geloof een in eerste en laatste instantie spirituele ervaring waar het fysieke wel een rol kan spelen, maar geen doorslaggevende. Wat mij betreft geldt dat voor elke geloofsbeleving. Een mantel en een mijter, lange baarden, een keppeltje: allemaal mooi en aardig en ongetwijfeld van groot belang voor de gelovigen maar niet essentieel. Ik adstrueerde mijn stelling met het voorbeeld van een moslima die ik ken en die van het dragen van een hoofddoek terugkwam omdat ze van mening was dat de spirituele band tussen haar en haar Schepper uiteindelijk niet door het uiterlijk bepaald werd.

Het opiniestuk heeft me weinig populair gemaakt. Veel mensen klommen in de pen en verweten mij gebrek aan respect voor die moslima’s die de hoofddoek dragen en er werd met name kritiek geleverd op een andere dimensie van mijn stuk, namelijk dat het dragen van hoofd- of gezichtsbedekkende kleding in islam ook en vooral te maken heeft met angst voor het erotische. De wens om op de een of andere manier ritueel rein te blijven. Maar hier komt een ander aspect bij dat de moslima’s wel degelijk aangaat. Velen van hen dragen hoofddoeken in de publieke ruimte en zij ontmoeten daar mannen van allerlei aard onder wie mijzelf. Ik heb nooit begrepen waarom zij die mannen geen hand willen geven of niet in het gezelschap willen zijn van mensen, mannen en vrouwen, die aan tafel een wijntje drinken. Ze houden zich verre van hen. Dat maakt dat ik als man dan blijkbaar degene ben die hen op de een of andere manier verontreinig terwijl dat totaal mijn bedoeling niet is.

Veel moslima’s stelden in hun reacties dat zij de hoofddoek dragen als een verbond tussen hen en de Schepper. Ook Nawal Mustafa, projectmedewerker etnisch profileren bij Amnesty, deed dat in een reactie op mijn stuk, eveneens verschenen in de NRC. Het zou niets met seksualiteit te maken hebben en ik werd weggezet als iemand die moslima’s ‘reduceert tot willoze wezens’ en ik zou normerend handelen. Mijn wil zou wet zijn. Wat Nawal niet zegt, is dat ik in mijn opiniestuk geenszins normerend wil zijn en al helemaal niet stel dat moslima’s geen hoofd- of gezichtsbedekkende kleding mogen dragen. Integendeel. Van mij geen verbod of gebod. Ik wil ook graag geloven dat de hoofddoek uiting is van een verbond tussen moslima en God, maar wat heeft dat met mij als man te maken? Waarom mij geen hand geven? En hoe zit dat dan met de moslimmannen? Wat is het symbool van hun relatie tot de Schepper? Hun baard? En wat doen we dan met moslimmannen die geen baard hebben en trouwens, wat te denken van moslima’s die een hoofddoek niet nodig vinden om hun band met God te bestendigen?

Het is jammer dat als je kritiek op een religie uitoefent dat je dan opeens wordt neergezet als een boze, ‘witte’ man. Tegen dat ‘witte’ en dat manzijn kan ik niets doen. Boos ben ik eigenlijk nooit. Maar wat veel moslima’s met mij doen is precies wat ze mij verwijten. Me wegzetten om wie ik ben en daar kan ik me natuurlijk nooit tegen weren. Maar nog belangrijker is het volgende. Het islamdebat in dit land is niet gemakkelijk te voeren. Het is ernstig gepolariseerd. Extremisten van de PVV en andere populisten voeren een niets ontziende anti-islam-campagne maar ook islamitische godsdienstfanatici roeren de trom. Ik probeer tussen al dat geweld een islamkritische stem te laten horen en ik zoek het debat. Mijn inmiddels al lang niet meer zo geheime agenda is dat islam op zeker moment een geïntegreerd onderdeel van de Nederlandse samenleving wordt en in dat streven ga ik geen enkel onderwerp uit de weg. Tegelijkertijd weet ik dat ik dat debat zo respectvol als maar mogelijk moet opereren. Dus ik bied graag mijn excuses aan de gekwetste moslima’s aan, maar dat gezegd hebbende, ik hoor graag hun professionele reacties op de essentie van mijn religiekritiek: de ware religie is een puur spirituele relatie tussen God en Zijn schepselen en de rest is uiterlijk vertoon en daarmee bijzaak.

DELEN
Jan Jaap de Ruiter
Arabist aan de Tilburg University.