Wie wind zaait zal storm oogsten

Han Entzinger
Han Entzinger
Emeritus hoogleraar Migratie- en Integratiestudies (Erasmus Universiteit Rotterdam). Voorzitter van het wetenschappelijk comité van het Bureau voor de Grondrechten van de Europese Unie in Wenen.

Lees meer

Nederland is weer eens wakker geschud door een rapport over discriminatie van moslims, ditmaal afkomstig van het Bureau voor de Grondrechten van de Europese Unie (FRA) in Wenen. Uit het vorige week gepubliceerde rapport blijkt dat Nederland slechter scoort dan vrijwel alle andere EU-lidstaten op het punt van discriminatie en bedreiging van moslims.

Eerst even enkele cijfers op een rij: 49 procent van de moslims van Marokkaanse herkomst en 40 procent van Turkse herkomst zeggen in de afgelopen twaalf maanden te zijn gediscrimineerd. Alleen de uit Afrika, ten zuiden van de Sahara afkomstige moslims in Duitsland scoren op dit punt nog hoger, namelijk 50 procent. Voor alle ondervraagde moslims in de hele EU ligt het gemiddelde op 25 procent.

Gevraagd of discriminatie op grond van godsdienst veel voorkomt in hun land, antwoordt 72 procent van de Nederlandse moslims ‘ja’. Alleen in Frankrijk ligt dit percentage nog iets hoger, 75 procent. Het EU-gemiddelde is 58 procent. Bedreiging van moslims komt in Nederland ook veel meer voor dan elders in de EU, 39 procent zegt in de afgelopen twaalf maanden te zijn bedreigd wegens het geloof tegenover 27 procent in de hele EU.

Zo gaat het maar door. Het verbaast dan ook niet dat moslims in Nederland zich maar weinig verbonden voelen met het land waar ze wonen. Ze scoren in het onderzoek een matige 3,4 op een schaal van 0 tot 5. Alleen de moslims in Italië scoren nog één tiende punt lager, terwijl moslims in Finland, Zweden, het Verenigd Koninkrijk en – ja zelfs – Frankrijk tussen de 4,3 en 4,6 scoren.

Opmerkelijk is dat, ondanks alles, moslims in de EU als geheel toch meer vertrouwen hebben in publieke instellingen (overheid, rechterlijke macht, parlement, politiek, etc.) dan de gemiddelde bevolking. Hoe dat in Nederland precies ligt, vermeldt het rapport niet, maar wel blijkt dat moslims hier minder vertrouwen hebben in de politie dan in enig ander EU-land. Nederland scoort gemiddeld een 5,0 op een schaal van 0 tot 10, terwijl het EU- gemiddelde ligt op 6,6. De Turkse moslims in Nederland scoren een 5,1, de Turkse moslims in Duitsland een 7,5.

Helaas zegt het rapport niets over mogelijke oorzaken van al die verschillen; het registreert alleen de harde feiten. Als voorzitter van het wetenschappelijk comité van de FRA wist ik natuurlijk dat het rapport eraan zat te komen. Ik heb dus ook de tijd gehad om na te denken over het hoe en waarom van de slechte scores van Nederland, maar ik ben er nog steeds niet echt uitgekomen.

Heel opvallend is dat het rapport ook vermeldt dat de moslims die in Nederland voor dit onderzoek zijn ondervraagd de allersterkste rechtspositie hebben van heel de EU. Slechts twee procent van hen heeft een verblijfsvergunning van minder dan vijf jaar; de overgrote meerderheid mag hier permanent blijven of heeft de Nederlandse nationaliteit. In bijvoorbeeld Spanje en Griekenland is dat maar voor een kleine minderheid het geval. Het kan natuurlijk zijn dat een sterke rechtspositie mensen minder geneigd maakt discriminatie te accepteren. Let wel, het onderzoek meet of moslims discriminatie hebben ervaren, niet of ze werkelijk zijn gediscrimineerd. Dat laatste is overigens niet altijd gemakkelijk vast te stellen, de bewijslast is vaak ingewikkeld.

Toch moeten we dit soort ‘gemakkelijke’ verklaringen niet voetstoots accepteren. Er lijkt meer aan de hand. Al in de jaren negentig is uit vergelijkend onderzoek – onder meer van mijn collega Frank Bovenkerk en van de Internationale Arbeidsorganisatie – gebleken dat discriminatie op de arbeidsmarkt in Nederland vaker voorkomt dan in veel andere Europese landen. Het is dus geen nieuw verschijnsel. Moslims moeten hier kennelijk veel moeite doen om te worden geaccepteerd.

De toon van het debat over moslims zoals dat de laatste tien à vijftien jaar in Nederland wordt gevoerd, maakt dit allemaal niet gemakkelijker. Als moslims voortdurend te horen krijgen dat ze hier eigenlijk niet thuis horen, allemaal het risico van radicalisering lopen en als ze niet tevreden zijn maar moeten oprotten naar hun ‘eigen’ land (waar dat dan ook mag liggen; voor velen is Nederland het eigen land), dan kun je dit soort reacties verwachten.

Het spreekwoord zegt ‘wie wind zaait zal storm oogsten’. Vervang ‘wind’ door ‘haat’ en ‘storm’ door ‘afkeer’ en de alarmerende bevindingen van de FRA worden opeens een stuk duidelijker.

- Advertentie -

1 REACTIE

  1. Wie zich publiekelijk presenteert als wetenschapper, zou ook – en allang – vatbaar moeten zijn voor geaccepteerde wetenschappelijke inzichten. Zoals dat het in ‘zelfrapportages’ gemeten ‘gevoel’ geen helder verband houdt met de realiteit.

    Voorbeeld: vraag je aan Nederlandse leraren of ze naar hun ‘gevoel’ te weinig verdienen, is het antwoord een massaal ‘ja’. Terwijl hun salaris dik boven het EU-gemiddelde ligt.

    Zo is het dus maar de vraag welke connectie er is tussen het kennelijk algemene ‘gevoel’ van Nederlandse moslims dat ze hier worden gediscrimineerd, en de realiteit omtrent dat discrimineren.

    Probleem: wie hun ‘gevoel’ relativeert, krijgt het deksel op de neus. Want wie dat aandurft, krijgt al gauw de beschuldiging dat hij moslims niet serieus neemt, en sowieso oogkleppen op heeft voor de vermeende ‘duidelijke discriminatie’ op de werkvloer.

    Ook Entzinger doet graag voorkomen alsof het gemeten ‘gevoel’ overeenstemt met de realiteit. Zorgvuldig kiest hij zijn woorden, waarin feiten & meningen worden afgewisseld, om al doende de onbekende realiteit in zijn straatje te doen passen, en de lezer in dat straatje te lokken. Hier een bloemlezing van Entzingers ‘feitelijke’ uitspraken die in het licht van louter een meningspeiling onder moslims wetenschappelijk niet te verantwoorden zijn:
    – Nederland “blijkt” slecht te scoren “op het punt van discriminatie en bedreiging van moslims”;
    – “bedreiging van moslims komt in Nederland ook veel meer voor dan elders in de EU”;
    – “het rapport registreert de harde feiten (!)”;
    – “het onderzoek meet of moslims discriminatie hebben ervaren”.

    En dan een hele, misleidende alinea: “Al [eerder] is gebleken dat discriminatie op de arbeidsmarkt in Nederland vaker voorkomt dan in veel andere Europese landen. Het is dus geen nieuw verschijnsel. Moslims moeten hier kennelijk (!) veel moeite doen om te worden geaccepteerd.” Opnieuw mixt Entzinger opzichtig ‘gevoelens’ van moslims met vermeende feiten over de prevalentie van discriminatie in Nederland.

    In zijn slotconclusie spreekt Entzinger over ‘bevindingen’ die ‘afkeer’ (van Nederland, bij moslims) moeten verklaren. Gelet op de aard van het onderzoek is slechts de ‘afkeer’ (het gevoel) gemeten. Entzinger bijt dus in zijn eigen staart als hij de ‘afkeer’ wil verklaren uit de gemeten ‘afkeer’.

    Ja, ik snap het politieke belang van het wijzen op enerzijds feitelijke discriminatie in een land, ook in Nederland; en anderzijds op de gevoelens van afkeer die dat voortbrengt. Maar een wetenschapper hoort die twee niet te verwarren. Ook niet om retorische redenen, in publieksartikelen. Juist van wetenschappers mag worden verwacht dat zij het publiek waarschuwen voor al te gemakkelijke aannames.

    Uit het onderzoek blijkt dat Nederlandse moslims vaker dan moslims in andere landen beweren dat er in hun land wordt gediscrimineerd. Hoe dat kan, is vers twee, en op die vraag geeft het rapport geen antwoord, wat Entzinger verderop in zijn artikel ook toegeeft.

    Maar dat Entzinger bij voorbaat een categorie ‘gemakkelijke’ verklaringen wil relativeren (zoals dat Nederlandse moslims kritischer zouden zijn op discriminatie), is opnieuw een opstelling die slechts bij een retoricus past, en niet bij een wetenschapper.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here