Zijn blote benen een onaantastbaar mensenrecht?

Foto: Reuters
Onlangs bracht een handelsdelegatie van de Zweedse regering een bezoek aan Iran, om daar met een aantal multinationals lucratieve contracten te sluiten. De Zweedse regering telt tal van vrouwen en betitelt zichzelf als feministisch. In Teheran verschenen alle vrouwelijke delegatieleden – en dat waren er liefst elf – bij president Hassan Rohani conform de Iraanse zeden met hoofddoek op, ofschoon geen hunner zelf moslima was. Een kleine rel was geboren.

Cultureel psycholoog Keyvan Shahbazi, een voormalige Iraanse vluchteling, hekelde in De Volkskrant onder de titel Zweedse regering verraadt Iraanse vrouw met bezoek aan Iran deze culturele capitulatie. In Iran zelf vechten immers veel vrouwen tegen de verplichting een hoofddoek te dragen, als cruciaal zichtbaar onderdeel van een poging tot hun onderwerping aan de benepen normen van een theocratie, waarop door een paramilitaire zedenpolitie toezicht gehouden wordt. Shahbazi wijst op de fundamentele ongelijkheid die in Iran bestaat: vrouwen gelden er maar als halve mensen, ze erven maar de helft van wat hun broers erven en hun getuigenis weegt maar de helft van die van een man.

De Zweedse delegatie werd op de Iraanse tv geprezen, omdat ze respect betoonde met ”de verheffende islamitische culturele normen en waarden” van Iran, in tegenstelling tot ”de gecorrumpeerde binnenlandse na-apers die nog ijldromen over de verdorven westerse normen en waarden”, zoals Shahbazi de insteek van Teheran in eigen woorden samenvat. De Zweedse verdediging komt er op neer dat dit nu eenmaal de Iraanse cultuur is en men die als gast dient te respecteren. Door zich zo, om Mammon te dienen, bij hun bezoek aan de hoofddoeknorm aan te passen, steken de Zweedse vrouwen alle Iraanse die zich juist van dit korset pogen te bevrijden, een dolk in de rug.

Shahbazi kaart een heel moeilijk dilemma aan, waaraan westerse delegaties eigenlijk maar op één moreel bevredigende manier kunnen ontsnappen: door weg te blijven. Of door alleen maar mannen te sturen, maar ook dat zal niet zonder reden als zelfverloochening worden gezien. Want Europeanen (en Amerikanen) zullen het, vijf eeuwen van westers kolonialisme en imperialisme buiten het eigen continent indachtig steevast met wantrouwen bejegend, nooit goed kunnen doen.

Handelen zij zoals de Zweden, voegen zij zich naar een theocratie ”omdat dat nu eenmaal de cultuur” is, dan heet dat cultuurrelativisme: het Westen verraadt niet alleen uit handelsopportunisme zijn eigen waarden, maar laat ook geestverwanten elders in de steek. Handelen zij als Shahbazi verlangt, door de eigen normen ook buitengaats uit te dragen en dus de ter plekke dominante te negeren, dan heet dat al snel cultuurimperialisme. Dan staan niet, zoals nu, de seinen bij talloze zich onderdrukt voelende Iraanse vrouwen, maar bij talloze zich geschoffeerd voelende orthodoxe Iraanse moslims op rood. Het woord ”kruistochten” is dan nooit ver weg.

De kernvragen, hoe universeel is de eigen norm en hoe belangrijk is de kwestie waarom het gaat en tot welke compromissen kan en mag je bereid zijn zonder daarbij wezenlijke eigen waarden te verloochenen? Veel van wat wij in het Westen als universeel promoten, en dankzij de westerse dominantie van dat moment ook als ”universeel” in de statuten van de Verenigde Naties terecht is gekomen, is in feite toch heel wat minder universeel dan wij misschien zouden willen, en vaak tijdgebonden: het product van een bepaalde cultuur op een bepaald moment.

Voor alle duidelijkheid: het zijn waarden, waaraan ikzelf veelal zeer hecht, maar dat doet aan dit cruciale punt niets af. Anders dan natuurkundige waarheden die daadwerkelijk universeel zijn – de wet van de zwaartekracht geldt voor iedereen, van hoer tot ayatollah, ongeacht of je er zelf in gelooft, dus zelfs voor fakirs – zijn maatschappelijke waarden natuurlijk altijd aan het menselijk brein ontsproten. Mensenrechten als zelfbeschikking en onaantastbaarheid van het lichaam kan men op grond van een bepaald normen- en waardenpatroon (het ”natuurrecht”) beredeneren, men kan ze nooit objectief bewijzen. Daarmee bezit veel van wat wij in het Westen als vanzelfsprekend beschouwen, in de ogen van anderen een ongewenst karakter. Individuele (kleed)vrijheid voor vrouwen is zo voor gelovige moslims vaak al snel een vorm van vrijpostigheid – ook voor veel orthodoxe christenen en joden trouwens.

”Gij zult niet doden” is weliswaar een uitgangspunt dat de meeste godsdiensten met elkaar gemeen hebben, maar daarop volgt in de praktijk vaak toch een, per religieus cultuurgebied deels verschillende, reeks van uitzonderingsvoorwaarden, waaronder dat dan desalniettemin wèl is toegestaan. Dat begint reeds met het recht op zelfverdediging als je aangevallen wordt. Maar wat ”verdedigen” en ”aanvallen” is, is heel wat minder eenduidig dan die woorden suggereren. De vraag ”wie begon” is in de politiek afhankelijk van het nulpunt dat je als “vanzelfsprekend” kiest. Dat is voor bijvoorbeeld Israëliërs en Palestijnen al direct een ander.

Dat maakt het onvermijdelijk om bij het elders uitdragen van eigen waarden, en het zich aanpassen aan andermans, een zekere hiërarchie aan te brengen tussen wat echt essentieel en wat toch meer bijkomstig is. Dan zijn bestrijding van besnijdenis en uithuwelijking in elk geval urgenter dan die van een verplicht kledingstuk – ook indachtig het feit dat fundamentalistische joden en gereformeerden er dezelfde bekrompen kleednormen op nahouden èn in eigen kring onder vrouwen afdwingen, met de verplichte pruik c.q. lange rok als pendant van de verplichte hoofddoek bij moslima’s. En nog een halve eeuw geleden vonden de meeste Amerikanen een korte broek voor mannen of een bh voor vrouwen not done. Is de wens om er (overal) bij te lopen zoals je wil legitiem of decadent? Kortom: vormt met blote haren, buik of benen in het publiek verschijnen een onaantastbaar mensenrecht?

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.