Zodat we weten dat dit nooit meer mag gebeuren

Foto: Reuters

Ik sta al lang genoeg voor de klas om te weten dat kinderen stierlijk vervelend kunnen zijn. Dat ik denk: hoe lang moet ik nog? Maar meestal vind ik pubers leuk, met al hun dwarsigheid, hun onhandige onverschilligheid, met het ongemak van opgroeien terwijl ze niet weten wat ze met zichzelf en met hun omgeving aan moeten. En ik probeer ze te begrijpen.

In een eerdere column in deze krant schreef ik al over het brievenproject Niet van gisteren waar ik met mijn klas aan meedoe. Het is een project georganiseerd door het Joods Maatschappelijk Werk, waarbij kinderen brieven schrijven aan Joodse mensen die de oorlog hebben overleefd. In de brieven mogen de kinderen en ook de Joodse mensen alles vragen wat ze willen.

Het leuke is dat er in no-time (er worden zes brieven geschreven, drie door de ouderen en drie door de jongeren) contact is tussen de twee generaties met een totaal verschillende achtergrond. De kinderen verslonden de brieven die ze ontvingen en de ouderen gaven op alles antwoord. Aan het eind van het project ontmoeten kinderen en ouderen elkaar.

Voorafgaand aan de ontmoeting in de Hollandsche Schouwburg vertelde een mevrouw iets over de geschiedenis van het gebouw. De Hollandsche Schouwburg was in de oorlog een gevangenis voor Joden. Daarna liepen we naar buiten, naar de Joodse crèche aan de overkant, waar kinderen tot twaalf jaar terechtkwamen. De aandacht van de groep was nog wat verspreid. Er kwam een man aan, slingerend op een klein fietsje reed hij onvast over het fietspad. ‘Leipe shit’, schreeuwde hij, en zoef – alle aandacht ging onmiddellijk naar de malloot op twee wielen. Want zo gaat het, de directe wereld om je heen dringt zich aan je op, een gebouw waar zich van alles heeft afgespeeld – dat leeft niet. Een gebouw is niet van vlees en bloed, het praat niet terug, dus dat betekent altijd weer meer afstand. Hoe zou dat zo meteen gaan tijdens de ontmoeting?

We liepen terug naar de Schouwburg, waar de ouderen al in een kring zaten te wachten. Eén voor één stelden ze zich voor en vertelden waarom ze mee hadden gedaan. ‘Zodat ze weten dat dit nooit meer mag gebeuren’, vertelde een mevrouw die voor de eerste keer meedeed, met onvaste stem. Er zitten kinderen in mijn klas die uit oorlogsgebieden komen, Syrië bijvoorbeeld. Die hebben de impact van oorlog aan den lijve ondervonden. Maar ook de andere kinderen waren doodstil.

Ondanks de ernst van de situatie was er ook hilariteit. Een oudere dame had geschreven met Josita en Ravinder en ze leek verbaasd. ‘Bij jou’, ze knikte naar Josita, ‘wist ik wel dat je een meisje was, bij Ravinder wist ik het niet zo goed’. Ravinder is een Indiase leerling met reeds een volle baard, niet iemand die je snel zou aanzien voor een meisje. ‘Maar het is toch echt een jongen, zie ik.’ De klas barstte in lachen uit. Leipe shit!

Ernstige momenten. ‘In godsnaam, later, als je groot bent, verraad niet je medemens’, zei één van de overlevers. ‘Wij waren kleine kinderen, wij zijn gered. Fantastisch! Doe dat ook, help, als de nood aan de man is en verraad niet.’

Na de voorstelronde zaten de brievenschrijvers bij elkaar. ‘Het is eigenlijk veel te kort, je begint elkaar net een beetje te leren kennen en dan is het alweer afgelopen’, vond één van de Joodse ouderen en dat beaamden veel kinderen. ‘Een ontmoeting brengt het verleden tot leven, want je leert de geschiedenis wel’, zei Mohammed, ‘maar je hoort niet de verhalen van mensen’. Als je de mensen ontmoet en hun verhalen hoort, begrijp je de geschiedenis beter.

Maar het gaat niet maar één kant op. ‘Ik vind het zelf minstens zo belangrijk dat ik weet waar jullie vandaan komen, wat jullie achtergrond is’, zei een Joodse oudere. ‘Op het moment dat je elkaar leert kennen is de tijd al om.’

Dat vonden de kinderen ook. ‘We hebben e-mail-adressen uitgewisseld’, zei Latisha. Haar ‘strakke’ mevrouw – ‘ik dacht dat ze heel streng zou zijn, maar ze was heel gezellig’ – was bepaald geen digibeet. ‘Ik ben gek op klassieke muziek, in de trein luister ik naar Classic FM, via mijn telefoon.’ Bewonderend keken ze haar aan.

Zo werden verwachtingen overtroffen en kwam de geschiedenis tot leven.

De namen in deze column zijn gefingeerd.

DELEN
Trudy Coenen
Docent Nederlands op het Montessori College Oost, een 'zwarte' vmbo-school in Amsterdam. Leraar van het Jaar 2010. Auteur van het boek 'Spijbelen doe je maar thuis: verhalen van een docent op het vmbo' (2013).