Zonder poldertaliban geen Jan Wolkers

Jan-Wolkers-.jpg
Foto: © Reuters

”InHolland-jihadisten komen om bij examen”, aldus de kop boven een stukje op de satirische website De Speld een klein jaar geleden, dat kritiek op de in marktgerichte modieuze studies resulterende gebrekkige kwaliteit van het hoger onderwijs combineerde met een profetische vooruitblik op de huidige discussie ”hoe herken ik de jihadist-in-spé in de salafist-van-nu”.

“InHolland kreeg 4 jaar geleden toestemming te beginnen met de opleiding Jihadisme”, zo vervolgt De Speld. “Het toenmalige kabinet wilde op die manier voorkomen dat geradicaliseerde jonge moslims in het Midden-Oosten een hoogwaardige training zouden krijgen. De eerste 50 studenten zijn nu omgekomen bij hun praktijkexamen. Tijdens het examen sneuvelden 20 studenten al bij het schoonmaken van hun kalashnikov. Veel studenten klaagden over de kwaliteit van de opleiding. Voor het vak Zelfmoordaanslagen was maanden geen ervaren docent beschikbaar. Alle slachtoffers zijn postuum gezakt.”

Kijk: als het zo simpel was, dan was de Nederlandse overheid snel klaar – wie zich voor zo’n opleiding aanmeldt, geeft immers meteen zijn intenties bloot, maar zo’n eenduidige opleiding wordt nergens aangeboden, zelfs niet in de meest fundamentalistische moskee, waar een imam rabiaat anti-westerse taal uitslaat. Dat zulke taal sommige losgeslagen moslimjongeren kan inspireren tot het plegen van aanslagen – net zoals die van Geert Wilders sommige losgeslagen niet-moslim-jongeren in Geldermalsen of Anders Breivik – is waar. Maar of dat bij een bepaalde individuele jongere inderdáád daartoe leidt, blijkt meestal als het te laat is. In de termen van De Speld: past bij het ”praktijkexamen”.

“Gedachten zijn vrij”, aldus de eerste regel van een oud Duits volkslied uit het begin van de 16e eeuw. Het behelsde een aanklacht tegen censuur en controle, die juist toen ook heel duidelijk religieuze relevantie bezat. Het waren de dagen van de Reformatie, waarin Maarten Luther (1483-1546) met succes het met veel censuur en controle opgelegde waarheidsmonopolie van de Rooms-Katholieke Kerk aanviel.

Het motto lag later aan de basis van de Verlichting: de vrijheid van denken geldt sindsdien als één van onze belangrijkste verworvenheden. Tegelijk staat zij ook steeds opnieuw onder druk – niet alleen, als er gedachten geformuleerd worden, die de machthebbers onwelgevallig zijn, maar vooral, als een vrij geformuleerde gedachte behelst dat ánderen het recht op vrij denken wordt ontzegd.

Het is het eeuwige dilemma van de democratie: hoe groot kan en moet de tolerantie zijn ten opzichte van de intoleranten? Groot als zij door hun kleine aantal geen bedreiging vormen, klein als zij dat door hun grote aantal wel doen? Of pas als sommigen hun intolerantie met geweld op willen leggen? Moet dan ook de intolerante denkwijze die daaraan ten grondslag ligt, niet slechts met intellectuele, maar ook met juridische middelen bestreden worden?

In de 20ste eeuw waren het vooral fascisme en communisme die deze vragen opriepen. Sinds de eeuwwisseling is het, het islamitisch fundamentalisme dat tot een plaatsbepaling dwingt. Wat in Europa de aandrang tot verbieden stimuleert, is enerzijds dat het daarbij – anders dan bij fascisme en communisme – niet om een westers cultuurproduct gaat en anderzijds dat men als gevolg van de secularisatie steeds vreemder is komen te staan tegenover religieuze orthodoxie als zodanig. Die maakt daarmee al automatisch velen bang, zeker als de atavistische aspecten ervan niet tot het eigen Europese verleden te herleiden vallen.

In de NRC van 19 december verscheen een uitgebreid stuk over de salafistische preekpraktijken in de Utrechtse moskee al-Fitrah. Kinderen moeten elkaar corrigeren als zij ”onislamitisch” gedrag waarnemen; zij dienen hun gezicht af te wenden wanneer zij een kerk (afgoderij!) of een McDonald’s (varkensvlees!) zien. Ouders moeten voorkomen dat zij op school muziek te horen krijgen. Geen hoofddoek dragen of ongehuwd met een vriendin rondlopen is ontoelaatbaar, afstand bewaren tot onreine mensen zoals zondaren en ongelovigen is verplicht.

Voor alle duidelijkheid: dit gaat veel verder dan ”integratie met behoud van identiteit”. Van integratie is gewoon geen sprake en de daaraan ten grondslag liggende opvattingen zijn ook in mijn ogen zot. Maar zijn ze zotter dan sommige die zeer orthodoxe christenen of dito joden huldigen? Gemengdgeslachtelijk handen schudden – ten onzent oorzaak van veel opwinding – mogen de laatsten ook niet.

“In het isolement ligt onze kracht”, aldus de leuze van de aartsvader van het politieke protestantisme in Nederland, Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876). Aan omgang met andersgelovigen deed men tijdens de verzuiling zo min mogelijk. In de Bible Belt wordt dat principe nog steeds gehuldigd. Recent brak op het eiland Goeree een rel uit, omdat in het plaatselijke sufferdje een interview was verschenen met een homostel. Met deze vorm van boze buitenwereld wenste de gereformeerde goegemeente niet te worden geconfronteerd en de sufferds van de redactie van het bewuste blaadje boden prompt nederig hun excuses aan.

Naar aanleiding daarvan verscheen 12 december een leerzaam dorpsportret in de NRC. Tot de taboes behoorde de vondst van een nieuwe schakel in de evolutie, het horen van een vloek en het zien van blote vrouwen. En gemengd gymnastiek op school – tot in de jaren 80 overal ongebruikelijk – is vast ook niet hun ding.

Zeker: de poldertaliban van Goeree roepen niet op tot geweld en dat is een essentieel verschil met de gewelddadige jihadisten. Maar hun wereldbeeld is even introvert en voor slachtoffers in eigen kring zeker niet minder beknellend. De sociale controle is groot. Wie zich zondig gedraagt, wordt evenzeer met uitstoting uit de gemeenschap bedreigd. Zonder de bijbehorende trauma’s zou de Nederlandse literatuur – Hugo Claus, Jan Wolkers, Maarten ‘t Hart – overigens amper bestaan.

Thomas von der Dunk is publicist en cultuurhistoricus.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.