Zwarte Piet is voor beide kampen essentieel

Foto: Reuters

December. Voor politici is het langzaamaan uitgegroeid tot de gevaarlijkste maand van het jaar. De feestmaand is voor hen steeds minder een feest, omdat het nu steeds meer omstreden is geraakt, wat ooit vanzelfsprekend is geweest. We kunnen ons nu de borst natmaken voor Oudjaar. De beide kampen hebben de stellingen al weer betrokken en de eerste televisieuitzending ligt reeds achter ons.

Sinterklaas heeft Nederland overleefd, maar het gaat door de toegenomen polarisatie wel steeds moeizamer. Veelzeggend voor het brisante gehalte: dit jaar kwam de NRC voor het eerst met een overzichtskaart van Nederland waarop gemeente voor gemeente de exacte verkleuring van Zwarte Piet was aangegeven.

Nog steeds wil Den Haag er zijn vingers niet aan branden en veel politici steken het liefst de kop in het zand. Na de escalatie in de kwestie-Dokkum viel Rutte, door geen woord aan de vuurwerkdreigementen van de tegendemonstranten te wijden, voor de zoveelste keer moreel door de mand. Om electorale redenen laat men zulke heikele kwesties over aan de plaatselijke burgemeester, waarbij dan naar het orde-argument wordt gegrepen om inhoudelijk geen oordeel te hoeven vellen.

Feesten hebben te maken met tradities, die voor buitenstaanders vaak onbegrijpelijk zijn, maar voor de betrokkenen essentieel. De laatsten willen dan vooral geen vrijheidsbeperking van buitenaf opgelegd krijgen. Dat zullen we straks ook zien met Oudjaar, als de overheid uit veiligheidsoverwegingen gaat proberen het vuurwerk aan banden te leggen. Slechts een paar kleine politieke partijen hebben het aangedurfd dat te bepleiten, de meeste houden zich angstvallig gedeisd of roepen dat je de ‘gewone’ Nederlander toch zijn pleziertje moet gunnen.

Dat geldt ook voor Sinterklaas. Wat de kwestie-Zwarte Piet tot extra gevoelig maakt is dat het gaat om een kinderfeest. De voorstanders zijn extra boos als het feest door demonstraties van tegenstanders zijn onschuld zou verliezen. Daarvan blijf je af! Demonstreren kan desnoods op andere momenten dan de intocht, maar niet juist op die dag. Voor de tegenstanders daarentegen heeft het allang zijn onschuld verloren, omdat zij Zwarte Piet een raciaal karikatuur vinden. En demonstreren doe je natuurlijk op het moment dat dat het meest zinvol is, op de dag zelf, en niet eind augustus. Met alle orderisico’s van dien.

Die orderisico’s in het geval van demonstraties zijn de laatste tijd door twee met elkaar samenhangende veranderingen toegenomen. Demonstraties betreffen thans vaker identiteitsgerelateerde kwesties waarbij het in de ogen van voor- én tegenstanders om heel wezenlijke, immateriële zaken gaat. Niet om materiële, waarover gemakkelijker een compromis mogelijk is, zoals bij vakbondseisen inzake een hoger loon: jij biedt vijfhonderd, ik wil duizend, dan komen we na een dag vol spandoeken en een week vol vergaderen op zevenhonderdvijftig uit. Wat de één wil wordt door de ander dan niet gezien als een bedreiging van zijn eigen zijn.

Als gevolg van de uit de migratie van de laatste decennia voortgekomen multiculturele diversiteit is dat nu eerder wèl het geval. In plaats van over sociaal-economische tegenstellingen gaan demonstraties dan over sociaal-culturele. Die laatste liggen al snel veel gevoeliger dan de eerste. Zwarte Piet is voor beide kampen essentieel. Voor de voorstanders hun persoonlijk idool, voor de tegenstanders een persoonlijke belediging. Hetzelfde zien we bij Pegida, waar het religie betreft. Voor de één is de islam de eigen godsdienst, voor de ander de bedreiging van de eigen identiteit. Of denk aan de Molukse oud-KNIL-soldaten die recent door de overheid in het zonnetje zijn gezet. Er dreigde een demonstratie van tegenstanders die hen als oorlogsmisdadigers beschouwen. Dat hakt er natuurlijk meer in dan als het gaat over de precieze invulling van de cao.

Daarmee hangt automatisch samen dat demonstraties zich nu sneller tegen andere volksgroepen keren; vroeger richtten ze zich eerder tegen het beleid van de overheid of bepaalde instanties. Dat komt natuurlijk nog steeds voor (zie de aangekondigde staking in het onderwijs), maar dan lopen de gemoederen toch nét iets minder hoog op. Demonstreren is hier eerder een bepaalde vorm van politiek noodzakelijke routine. Politici zelf hoeven wat minderen op eieren te lopen. Ofschoon het ook dan wel eens uit de hand loopt en er dan misschien ook wel eens enkele rotte eieren door de lucht vliegen, die gelden de politicus of werkgevers dan niet persoonlijk als individu, maar beroepshalve als ambtsdrager. De tegenstander treedt er in een publieke rol op, de persoonlijke levenssfeer blijft er buiten.

Nu die steeds vaker in het vizier komt, dwingt dat politici enerzijds tot veel meel in de mond om niet grote groepen kiezers van zich te vervreemden, terwijl anderzijds in morele kwesties juist van politici een heldere stellingname wordt verwacht. Het is een dilemma waar men in Den Haag nog niet uit is en dat velen voorlopig pogen te ontlopen door er maar helemaal over te zwijgen.

DELEN
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.