‘Er zijn zoveel parallelle gemeenschappen in Nederland’

Foto's: YouTube. Rinus Penninx is cultureel antropoloog en sinds 1993 hoogleraar Etnische Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is oprichter van het Instituut voor Migratie en Etnische Studies, een interdisciplinair onderzoeksinstituut dat zich bezighoudt met internationale migratie- en integratievraagstukken. Hij heeft een groot aantal migratie- en integratieonderzoeken uitgevoerd. Zo deed hij in de periode 1971-1978 onderzoek naar de gevolgen van migratie voor achterblijvers in Tunesië en Turkije. In 1978 maakte hij een inventarisatie van de beschikbare kennis over migrantengroepen in Nederland en het overheidsbeleid voor deze groepen. In de jaren tachtig was hij als stafmedewerker betrokken bij de uitvoering van het ‘minderhedenbeleid’ van de overheid. Hij heeft talloze boeken en artikelen op zijn naam staan. Centrale thema’s binnen zijn werk waren de afgelopen jaren de institutionalisering van de islam, de vergelijkende studie van vakbonden en hun houding tegenover migranten, migrantenorganisaties en lokaal integratiebeleid.
Volgens Rinus Penninx bestaan meerdere parallelle gemeenschappen in Nederland, zoals het domineesmilieu in Zwolle, het landbouwersmilieu in Zeeland en het grachtengordelmilieu in Amsterdam.

Vice-premier en minister (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) verantwoordelijk voor integratie Lodewijk Asscher heeft onlangs in een Kamerbrief gereageerd op vragen en opmerkingen over het onderzoek naar parallelle gemeenschappen in Nederland. Het onderzoek richt zich op de vraag in hoeverre de integratie van Turkse Nederlanders wordt beïnvloed door een aantal Turkse organisaties en bewegingen. De beheersing van de Nederlandse taal en de mate van sociaal-economische participatie worden aangedragen als belangrijke integratie-indicatoren. Van belang in het onderzoek is eveneens of binnen de organisaties en bewegingen sprake is van een geïnstitutionaliseerde druk op leden om in afscherming van de Nederlandse maatschappij te leven en de oriëntatie op Turkije te bevorderen. Op vragen van PVV, SP en D66 over waarom het onderzoek zich alleen richt op Turkse groepen, antwoordde Asscher dat bij andere groepen Nederlanders met een migratieachtergrond bepaalde factoren niet of in mindere mate aanwezig zijn, waaronder ‘relatief hoge sociaal-culturele afzijdigheid’ en ‘de onduidelijkheid wat betreft de invloed van diverse stromingen en organisaties op de integratie’.

Parallelle samenlevingen
Integratie-expert Rinus Penninx, hoogleraar Etnische Studies aan de Universiteit van Amsterdam, is kritisch over het onderzoek. ‘Het probleem in dit soort onderzoeken is dat vooraf een veronderstelling over causale relatie wordt gemaakt en pas daarna naar de werkelijkheid wordt gekeken. Daarbij ligt de nadruk op het opsporen van kenmerken. Vervolgens komen die dan samen en dan is die causale relatie zogenaamd bewezen. Tja, daar schiet je natuurlijk niet veel mee op’, zegt de hoogleraar in een interview met deze krant. ‘Dit soort onderzoeken zeggen meer over wat de gedachten van de beleidsmakers zijn en over wat zijn belangrijk vinden om te weten dan over de werkelijkheid.’

Elke samenleving bestaat volgens Penninx uit een groot aantal parallelle gemeenschappen. ‘Er zijn zoveel parallelle gemeenschappen in Nederland. Wat hebben bijvoorbeeld het domineesmilieu in Zwolle en het kunstenaarsmilieu in Amsterdam met elkaar gemeen? Of het landbouwersmilieu in Zeeland en het grachtengordelmilieu in Amsterdam? Niet veel. Er zijn een heleboel verschillen.’ Het karakteriseren van bepaalde gemeenschappen als parallelle gemeenschappen noemt hij ‘een symbolische manier om een negatieve waardering van verschil uit te drukken’. ‘Wanneer parallelle gemeenschappen heel nadrukkelijk neergezet worden als een negatief verschijnsel voor de samenleving, worden bepaalde groepen in het vizier genomen. En dan vooral migrantengroepen die intern goed georganiseerd zijn, zoals de Turks-Nederlandse gemeenschap.’

Harde terreinen
Penninx vindt de fixatie op parallelle gemeenschappen ‘ongezond’, omdat integratie een complex begrip is dat met veel meer te maken heeft. ‘Bepaalde groepen hebben vooral intern contact, maar in feite geldt dat in zekere mate voor elke groep. Die boer in Zeeland heeft ook niet veel contact met leden van andere groepen. Wat er is gebeurd, is dat één dimensie van integratie is verabsoluteerd. Dat is een ongezond integratiebegrip. Het is misleidend, omdat er verkeerde resultaten en conclusies uit voortvloeien. Waar integratie om moet gaan, is of groepen meedraaien in de samenleving, hoe ze dat doen en of dat functioneel behoorlijk werkt.’

Hij vindt dat de nadruk in het integratiebeleid op vier sociaal-economische factoren moet liggen: arbeid en inkomen, onderwijs, huisvesting en gezondheid. ‘Dat is een gezond integratiebegrip, zoals dat in de jaren tachtig het geval was met het minderhedenbeleid. Toen draaide het vooral om de nieuwkomers een plaats te geven op de zogenaamde vier harde terreinen in de samenleving, dus zorgen dat ze op de arbeidsmarkt terechtkomen en een inkomen hebben, goed aan de bak komen in het onderwijs, een behoorlijke plaats hebben om te wonen en toegang hebben tot de gezondheidszorg. De ontwikkelingen binnen deze terreinen kunnen heel duidelijk aangegeven worden. Dan krijg je een genuanceerd beeld van het integratieniveau. Zo is het ondernemerschap onder Turkse Nederlanders de laatste vijftien jaar heel sterk toegenomen. Vergeleken met de Nederlandse groep en andere groepen, zijn er relatief veel meer ondernemers binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap.’

Dat er veel ondernemers zijn binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap bevestigt volgens Penninx dat sterke interne organisatie een ‘geweldig positief effect’ kan hebben op integratie. ‘Het kan een heel goed uitgangspunt zijn voor succesvolle integratie als groep. Het ondernemerschap binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap is iets dat heel sterk binnen de gemeenschap zelf ontwikkeld wordt. Daar is een heel sterke infrastructuur voor, een netwerk van ondernemersorganisaties en andere belangrijke elementen. Als je op een genuanceerde manier, zonder vooroordelen of zonder vooraf een oordeel te vellen, gaat nadenken over wat het proces van integratie precies inhoudt en vervolgens de realiteit gaat analyseren, dan krijg je een betrouwbaar beeld van wat er écht aan de hand is. Dat doe je dus niet wanneer je moord en brand schreeuwt wanneer het gaat om bepaalde parallelle gemeenschappen en veronderstelt dat veel contact binnen de eigen groep persé negatief is.’

Bij voorbaat kansloos
‘Sommige migrantengroepen kunnen het nooit goed doen, vanwege de vooroordelen van de dominante groep’, beweert Penninx. ‘Wanneer mensen bijvoorbeeld zeggen dat de manier waarop mensen zich in de moskee organiseren slechter is dan de manier waarop mensen zich organiseren in de kerk, dan denk ik ‘wacht eens even, nu ben je allerlei normatieve dingen aan het invullen’. Dan wordt aan de ene levensbeschouwing negatieve connotaties verbonden. ‘In die groep is er minder vrijheid!’, wordt dan bijvoorbeeld geroepen. Het gaat om normatieve opvattingen die binnen een bepaalde groep gelden en die de leden van die groep impliciet opleggen of proberen op te leggen aan een andere groep. Zo veroordeelt de ene groep dus de andere groep, omdat de groepsleden van mening zijn dat de normatieve waarden van die andere groep minder waard zijn.’

Penninx laakt het feit dat bepaalde groepen Nederlanders met een migratieachtergrond systematisch het verwijt krijgen dat ze niet voldoen aan bepaalde normen en waarden die bepaald worden door de beoordelaar zelf. ‘Dat is waar de discussie op dit moment vooral over gaat. Een deel van de samenleving beschouwt bepaalde levensbeschouwingen, zoals de islam, als geheel als minderwaardig. En de politiek speelt daarop in. Dan wordt het integratieniveau van bepaalde groepen dus bij voorbaat negatief beoordeeld. Dan is het onvermijdelijk dat leden van bepaalde groepen terechtkomen in een benarde situatie. Voor hen is integratie een bodemloze put.’

Penninx pleit voor het beoordelen van individuen in plaats van groepen. ‘Wanneer universele normen en waarden, zoals respect voor mensenrechten, in het geding zijn, dan hoort de samenleving in te grijpen. Maar op het moment dat de overtreding van universele normen en waarden worden verheven tot een groepsfenomeen en systematisch aan bepaalde groepen worden toegeschreven, dan wordt iedereen over één kam geschoren.’

Aanpassing aan rechts
Penninx vindt het belangrijk dat ‘nieuwe’ Nederlanders erkend worden. ‘De vraag is, in hoeverre moeten ze daar volstrekt anders voor worden dan dat ze waren? Hoeveel culturele verscheidenheid kunnen wij hebben? Dat je daarbij een aantal basisvoorwaarden stelt, op een manier dat past bij een democratische samenleving, is wel logisch, maar daar wordt tegenwoordig zoveel ondergeschoven. Sommige eisen hebben helemaal niets meer met democratie te maken. In naam van de democratie worden allerlei veranderingen geëist die helemaal niet nodig zijn en niet direct gesteld hoeven te worden wanneer het gaat om integratie.’

De hoogleraar noemt de dominante standpunten in het integratiedebat ‘culturalistisch’. Hij onderstreept dat de PvdA daarin sterk is meegegaan en de koers volgt die in 2002 is ingezet door toenmalig minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, Hilbrand Nawijn, en is voortgezet door zijn opvolger, Rita Verdonk. ‘Met het toetsen van bepaalde normen en waarden als ‘belangrijk voor de integratie’, is Asscher bezig met iets dat al tien jaar aan de gang is.’ Penninx vindt het ‘verbazingwekkend’ dat uitgerekend de PvdA, die sociaal-democratisch claimt te zijn, dat doet. ‘Het nieuwe integratieconcept past goed in de veroordeling van het integratiebeleid als een mislukt multicultureel beleid.’

Sinds het opzienbarende artikel Het multiculturele drama (2000) van PvdA-ideoloog Paul Scheffer wordt dat volgens Penninx vooral gedaan vanuit een nationalistisch perspectief. ‘Dus het idee ‘wij zijn hier in Nederland en we moeten zorgen dat die migranten onze normen en waarden leren kennen’. Dat is een reactie op de zogenaamde mislukking van het multiculturalisme. Deze mindset wordt gevoed door het idee dat Nederland zijn eigen identiteit heeft verwaarloosd. En dat terwijl normen en waarden op allerlei verschillende manieren worden ingevuld door Nederlanders. Maar het idee is ‘de eisen die we aan buitenlanders stellen, nee, dat is natuurlijk wel duidelijk’. Dat laat zien dat een sterke revival van het nationalisme heeft plaatsgevonden. Met het stuk van Scheffer werkte dat door in het integratiebeleid. Nu zie je dus dat de PvdA deze ideologie jaren na Scheffers stuk deelt in een coalitie met de VVD.’

Volgens de hoogleraar heeft de PvdA zich behalve op het gebied van het integratiebeleid ook op andere beleidsvlakken aangepast aan rechts. ‘Het is duidelijk dat de PvdA in het algemeen veel rechtser is geworden. Neem bijvoorbeeld de kwestie van de belastingheffing, daarin is de PvdA ook veel rechtser in geworden. Het is een veel minder progressief belastingstelsel. Veel minder van de gedachte dat wanneer je het breder hebt, dat je dan ook meer dient bij te dragen. Dat is een tamelijk afgezwakte gedachte bij de PvdA.’

Alternatieve feiten
Penninx ageert tegen ‘politici die uit hun nek kletsen’. ‘Politici en beleidsmakers zijn minder gevoelig voor fijne analyses. Die zijn voor mensen die een andere bril op hebben gewoon niet interessant. Politici hebben een breed scala aan normatieve ideeën over hoe het zou moeten zijn, zonder dat ze de feiten überhaupt kennen.’ Hij noemt als ‘prachtig voorbeeld’ de parlementaire onderzoekscommissie van de VVD’er Stef Blok (2002-2004). ‘Die moest het ‘mislukte’ integratiebeleid onderzoeken. Dat was de opdracht. Daarmee stelde de politiek dus al bij voorbaat vast dat het integratiebeleid mislukt was. Niet of het mislukt was, maar waarom het mislukt was. In de politiek is het zo dat politieke partijen de ideeën die ze al hebben tot uitdrukking brengen. Het interessante is dat de commissie, die heel veel mensen heeft gehoord, tot de conclusie kwam dat de integratie niet mislukt was, maar op bepaalde vlakken succesvol en op andere vlakken minder succesvol was. Heel genuanceerd. De politiek viel daarover vanaf de eerste dag. Nog voordat hij het rapport überhaupt gelezen kon hebben, zei Frits Bolkestein dat het onderzoek niet deugde en hij er geen snars van geloofde. De commissie stond nota bene onder voorzitterschap van zijn eigen partijgenoot.’

Volgens de hoogleraar zijn er talloze andere voorbeelden die laten zien dat de politiek niet gevoelig is voor feiten. ‘Neem Het multiculturele drama. Scheffer claimde dat de integratie mislukt was, vlak nadat het Sociaal Cultureel Planbureau twee belangrijke onderzoeksrapporten over integratie had afgeleverd. Het eerste rapport ging over de situatie van ‘nieuwe’ Nederlanders in het onderwijs. Dat rapport liet duidelijk zien dat een sprongsgewijze verbetering aantoonbaar was. Het tweede rapport stelde hetzelfde met betrekking tot arbeid; het toonde aan dat de werkloosheid onder ‘nieuwe’ Nederlanders sterk was gedaald. In diezelfde periode zei Scheffer dat de integratie was mislukt. Aha, niet gevoelig voor feiten dus.’

DELEN
Hakan Büyük
Journalist gespecialiseerd in integratievraagstukken, moslimextremisme, internationale betrekkingen en Turkije.