Economen als leermeesters

Foto: Reuters

Economen tonen over het algemeen weinig interesse in migratie en integratie. Dat lijkt toch bovenal het terrein van de sociale wetenschappen. Alleen al in Nederland houden honderden sociologen en antropologen zich bezig met allerlei vormen van onderzoek naar en onder migranten. Daardoor weten we bijna alles af van cultuurverschillen, hoe mensen daar tegenaan kijken en hoe die zich in de loop der jaren ontwikkelen, en veel minder van de rol die migratie speelt in onze economie.

Amerikaanse economen hebben zich nog weleens verdiept in bepaalde aspecten van integratie, zoals bijvoorbeeld de kosten van discriminatie van zwarte Amerikanen op de arbeidsmarkt. Door hun stelselmatige uitsluiting gaat talent verloren en groeit de economie minder snel dan zonder discriminatie het geval zou zijn. Ook in Europa, vooral in Duitsland, hebben economen pogingen ondernomen om ‘de kosten van tekortschietende integratie’ te berekenen. Kernboodschap daarbij was steeds: als te weinig wordt geïnvesteerd in taalkennis en opleiding van nieuwkomers, blijven zij veel te lang afhankelijk van sociale voorzieningen. Daarmee doen de ontvangende landen zichzelf en uiteraard ook de migranten in kwestie tekort. Zulke tekorten kunnen op de langere termijn in de miljarden euro’s lopen.

Jammer genoeg leidden dit soort studies al snel tot politieke discussies over de kosten en baten van immigratie, die dan weer werden gekaapt door het opkomend populisme. Dat is er vooral op uit aan te tonen dat de immigratie over een reeks van jaren ons veel meer heeft gekost dan heeft opgeleverd. Daarbij wordt niet geschroomd zeer selectief te werk te gaan, bijvoorbeeld door wel de kosten van werkloos geworden laaggeschoolde ‘gastarbeiders’, maar niet de baten van hooggeschoolde ‘kenniswerkers’ mee te tellen. Of bijvoorbeeld door onderwijs aan migrantenkinderen te zien als een kostenpost en niet als een investering in de toekomst, zoals dat wél gebeurt met onderwijs aan niet-migranten-kinderen. Geen wonder dat de meeste economen weinig zin hadden zich aan dit soort studies te branden en zich liever op andere thema’s stortten.

Tot mijn verrassing lijkt hierin nu een kentering op te treden, ook in Europa. Toeval of niet, maar de laatste weken las ik een flink aantal studies van serieuze en te goeder naam en faam bekend staande economen die zich op de gevolgen van de recente komst van grote aantallen vluchtelingen hebben gestort. De bekende Britse econoom Philippe Legrain bijvoorbeeld berekende met cijfers van het Internationaal Monetair Fonds dat een investering van één euro in de opvang en integratie van vluchtelingen, mits goed besteed, binnen vijf jaar bijna twee euro kan opleveren. Hij is een inspirerend denker over migratie, verbonden aan de fameuze London School of Economics, die ik enkele jaren geleden eens ontmoette toen wij samen optraden op een conferentie in Helsinki.

Een absolute voorwaarde daarbij is dan wel dat de vluchtelingen snel de taal leren en zo spoedig mogelijk werk vinden. Dat lukt in de Verenigde Staten doorgaans beter dan in Europa met zijn veel strenger gereguleerde arbeidsmarkt. Zo had in 2010 in Zweden slechts vijfentwintig procent van de Somalische vluchtelingen – een notoir lastig te integreren groep – werk, tegenover zevenenvijftig procent van de Somaliërs in de VS. De Nederlandse cijfers lijken veel sterker op de Zweedse dan op de Amerikaanse.

Dit grote verschil is extra opmerkelijk, omdat het Zweedse opvangbeleid, net als dat van Nederland, veel intensiever en dus ook kostbaarder is dan het Amerikaanse. In de VS worden vluchtelingen al heel snel de arbeidsmarkt opgestuurd – overigens niet altijd in de meest plezierige banen – terwijl ze in Europa vaak gedoemd zijn tot jarenlang pingpongen in een opvangcentrum, waarna ze nog moeten inburgeren en nieuwe diploma’s moeten halen vooraleer ze, als ze geluk hebben, aan de slag kunnen. Dat kost de landen in Europa nodeloos veel geld, zo beweren Legrain en in zijn kielzog ook andere migratie-economen, zoals Christian Dustmann. Bovendien leidt het tot grote frustraties onder zowel de vluchtelingen als de gevestigde bevolking.

Waarom lukt het ons toch niet een veel efficiëntere ‘integratiemachine’ op te zetten, waarbij taallessen en arbeidsdeelname vrijwel vanaf dag één zijn gewaarborgd, en er veel meer en snellere mogelijkheden zijn om met gebruik van de meegebrachte kennis een diploma te behalen? De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling berekende onlangs dat bijscholing van een arts die als vluchteling naar het Verenigd Koninkrijk komt vijfentwintigduizend pond kost, terwijl het opleiden van een Britse arts in totaal tweehonderdvijftigduizend pond kost: tel uit je winst!

Waarom maakt de politiek zo weinig gebruik van dit soort inzichten van economen, terwijl ze op andere terreinen maar al te graag achter hen aanholt, soms zelfs iets te gretig? Zonder twijfel heeft dat te maken met angst. Angst voor mensen van elders. Angst voor populisme. Angst om stemmen te verliezen. In het recente regeerakkoord zitten weliswaar enkele aanzetten in de goede richting, maar toch wil ik het nieuwe kabinet in dit nieuwe jaar één raad meegeven. Leg nu ook hier eens uw oor te luisteren bij economen. Denk aan de lange termijn in plaats van aan de volgende verkiezingen en toon moed en leiderschap!

DELEN
Han Entzinger
Emeritus hoogleraar Migratie- en Integratiestudies (Erasmus Universiteit Rotterdam). Voorzitter van het wetenschappelijk comité van het Bureau voor de Grondrechten van de Europese Unie in Wenen.