Nouri versus Auschwitz

Foto: Twitter

Deze zomer was ik in Polen om een groep islamitische tieners uit Amsterdam-West te begeleiden tijdens een bezoek aan Auschwitz. De pubers reisden met de bus naar Polen, een trip van ruim twintig uur, maar aangezien ik geen zestien meer ben besloot ik hen achterna te vliegen. Zo kwam het dat ik op een zonnige woensdagochtend in een taxi zat, die me vanaf het vliegveld naar ons hotel bracht. De taxichauffeur was uiterst behulpzaam; hij droeg mijn koffer en gaf me een plattegrond van Krakau. Ik vertelde hem enthousiast over het doel van mijn reis. Hij bleef ijzig stil. ‘We houden hier niet zo van moslims’, zei hij uiteindelijk. ‘Ik ben geen racist hoor, maar de meeste moslims zijn IS-strijder of ten minste IS-sympathisant.’ Welkom in Polen!

De volgende dag werden we al vroeg opgewacht door onze gids bij de ingang van Auschwitz. Het viel me op hoe druk het was. Enorme rijen toeristenbussen stonden opgesteld op de parkeerplaats. Ook binnenin het in kamp bleek dat we bij lange na niet de enigen waren. Vanwege de drukte moesten we in een moordend tempo doorlopen, terwijl de gids ons in gebroken Engels overstelpte met informatie. ‘Hier sliepen de gevangenen, hier gingen ze naar de wc, hier was de gaskamer….’ Hoewel ik zelf al vier keer eerder in het voormalig concentratiekamp was geweest, miste ik de helft. De jongeren begrepen er nog veel minder van. Het was geen kwade wil, maar door het gebrek aan duidelijke informatie hadden de meesten totaal niet door waar ze rondliepen. Sommigen verveelden zich al snel en stopten oordopjes in hun oren of begonnen selfies te maken. Af en toe probeerde ik het wat levendiger te maken, door over mijn eigen familiegeschiedenis te vertellen, maar iedere keer als ik mijn mond opendeed klaagde de gids van de groep achter ons dat ik haar praatje verstoorde.

In de pauze kregen we het verschrikkelijke nieuws over Ajacied Abdelhak Nouri te horen. Hij zou nooit meer kunnen voetballen doordat hij ernstig hersenletsel had opgelopen. De jongeren waren er kapot van. Zó kapot dat ze zich nu al helemaal niet meer op de rondleiding konden focussen. Het irriteerde me in eerste instantie, maar aan de andere kant begreep ik het wel. Een Marokkaans-Nederlandse voetballer uit hun eigen buurt sprak natuurlijk veel meer tot de verbeelding dan mensen zonder gezicht, die meer dan zeventig jaar geleden waren vermoord.

Na afloop wilde ik even alleen zijn en besloot ik in mijn eentje met de tram naar de stad te gaan. Ik kon nergens zien waar ik een kaartje kon kopen, dus besloot ik voor één keer zwart te rijden. Natuurlijk duurde het niet lang voordat er een controleur kwam. Hij schold me uit in het Pools en sommeerde me mijn paspoort te tonen. Ik haalde mijn schouders op als teken dat ik hem niet verstond. Hij schreeuwde ‘Ausweis bitte!’ Iets in me brak en ik begon keihard te huilen. De controleur dreigde de politie erbij te halen. Daarop begon ik nog harder te gillen, terwijl ik snikte ‘ik kan dit niet aan, ik ben net in Auschwitz geweest’. Gelukkig was de man niet vies van een beetje corruptie, want hij wilde me best met rust laten als ik hem vijftig euro zou geven.

Eenmaal terug bij de groep was ik stil. Ik had het gevoel dat ik als begeleider had gefaald. Waarom was ik hier eigenlijk? Net toen ik me voornam nóóit meer naar Polen te gaan kwam Badr naast me zitten. ‘Mevrouw, ik moet steeds aan dat kamp denken’, zei hij. ‘Het is echt onmenselijk wat daar is gebeurd. Ik had vandaag voor geen goud willen missen.’