Straatnamengedoe hoort niet op de politieke agenda

Foto: Fries Scheepvaartmuseum

In elk actualiteitenprogramma passeerde het de revue, bijna iedereen heeft er een mening over en politici van uiteenlopend allooi proberen er een electoraal slaatje uit te slaan: ons zo verfoeide koloniale verleden, de sporen daarvan in de vorm van straatnamen, standbeelden, instituten, bruggen en tunnels en wat we daar nu toch mee aan moeten. Moeten we beladen namen uit de publieke ruimte verwijderen?

Anderhalf jaar geleden al schreef ik in Het Parool dat het verwijderen van ons onwelgevallige straatnamen complete idioterie is. Het is een politiek correcte geschiedvervalsing waarmee we een botoxverleden creëren, een verleden dat ontdaan is van rimpels en smetten. Maar net als rimpels en kraaienpoten in je gezicht het curriculum van je leven vormen, zo horen wandaden en hun sporen bij een nationale geschiedenis. Nederland vormt daarop geen uitzondering. Geschiedenis pimpen zet de deur naar 1984 wagenwijd open, het hoort bij totalitaire regimes, zeker niet bij ons. De beeldenstormers, in hun ijver om met het verleden af te rekenen en het in een moreel wenselijke vorm te kleien, maken daarbij een fundamentele denkfout. Ze betogen dat het niet verwijderen van een bepaalde naam hetzelfde is als instemmen met de moraliteit van die persoon en diens daden. Kortom, ze zien straatnamen nog steeds als wat ze ten tijde van de naamgeving waren: een eerbetoon aan die of die en niet als een echo uit het verleden, als een gestolde momentopname van hoe we vroeger over bepaalde personen dachten, een kijkje in het verleden, in onze collectieve ziel van destijds. Dus ben je tegen het veranderen van een straatnaam, dan ben je vóór kolonialisme. Kort door de bocht, maar zo luidt ongeveer die denktrant.

Ik betoogde destijds ook dat die controversiële zwerfkeien van een minder fraai verleden juist moeten blijven, doordat ze voor het broodnodige discours zorgen. De huidige reuring is natuurlijk niets anders dan een bevestiging daarvan. Verwijder of censureer je met terugwerkende kracht historische artefacten, dan sla je die discussie morsdood.

Neem generaal Joannes Benedictus van Heutsz (1851-1924), één van de meer controversiële personages die onze geschiedenis rijk is, de man die zo’n prominente rol speelde in het extreem-bloedige Nederlandse koloniale optreden in Atjeh. Van Heutsz zou vandaag de dag onverbiddelijk voor een tribunaal gesleept worden, in de jaren dertig vonden de meesten Nederlanders hem echter een held. Zozeer zelfs dat er niet alleen een praalgraf voor hem gebouwd werd, maar ook een heus monument! Van meet af aan was er gedoe, eerst felle protesten van socialisten en communisten, later van provo’s met potten verf, plaquettes en letters werden gestolen en er werden zelfs twee heuse bomaanslagen op gepleegd. Never a dull moment aan het Amsterdamse Olympia-plein. Tot het monument eind jaren negentig op de schop ging, een andere bestemming kreeg en omgedoopt werd in het oorverdovend saaie en compleet nietszeggende Monument Indië-Nederland. Weg Van Heutsz, weg controverse, vergetelheid is uw deel generaal. Geen scholier die meer weet wie hij was of wat hij in naam van Nederland uitgespookt heeft. Eeuwig zonde.

Het artikel leverde me in activistische kringen overigens het weinig vleiende predicaat ‘NSB’er’ op. Een titel die veel zegt, maar gelukkig niets over mij.

Straatnamengedoe, want veel meer moet je er niet van maken, is van alle tijden. Om de zoveel tijd manifesteert zich die behoefte om dingen te herbenoemen en te voorzien van een nieuw, blijkbaar minder ondraaglijk etiket. Wat de huidige poging tot historische zuivering echter zo anders maakt dan haar voorgangers is dat ze vaker de kop opsteekt. Los van het feit dat onze media elkaar gretig nakakelen en daarmee de gebruikelijke Themaschwung teweegbrengen, het onderwerp staat ontegenzeggelijk vaker in de belangstelling en neemt bovendien ook telkens heftiger vormen aan. Waarom? Drie factoren zijn daarvoor verantwoordelijk – uiteraard factoren die weer een wisselwerking met elkaar aangaan (het moet allemaal wel een beetje complex blijven).

Een belangrijke aanjager van straatnaamrevisionisme is de toegenomen aandacht voor ons slavernijverleden, de geschiedenis van slavenhandelaars en slaven (de politiek übercorrecte term ‘tot slaaf gemaakten’ krijg ik uit mond noch pen, ‘slaaf’ dekt de lading meer dan voldoende). En hoewel sommige historici elkaar de tent uitvechten over intensiteit, gevolgen en winstmarges van de slavenhandel, blijft het een onderbelicht thema op scholen, in musea, in ons collectieve geheugen (sowieso is ons geschiedenisonderwijs van een weergaloos beroerde kwaliteit, maar dat is weer een heel ander verhaal). Terecht dus dat de vinger op deze zere plek wordt gelegd, de manier waarop gaat echter weinig opleveren.

Sterker nog, het werkt eerder averechts en polariserend, wat mij meteen op het tweede brengt – de fellere tegenreacties. Want waar we in de jaren tachtig wat besmuikt de schouders ophaalden over die linksige activisten die een naamswijziging voorstelden en we niet eens zo heel erg moeilijk deden wanneer een Krugerlaan in de Steve Bikostraat werd omgesausd, daar heerst nu brede verontwaardiging. Er is een lijn in het zand getrokken, handen af van onze geschiedenis! En of die reacties nu gevoed wordt door nationalistische motieven of vanuit zorg om verlies van identiteit, door Themaschwung van de media of politiek opportunisme of gewoon omdat heel veel mensen dit hysterische straatnamenrevisionisme te absurd voor woorden vinden, ze worden steeds heftiger.

Een derde reden waarom het huidige straatnamendebat zo’n andere dynamiek en intensiteit heeft dan zijn voorgangers is de convergentie met het slavernijverleden én een ander thema, namelijk anti-racisme en emancipatie. Ik schrijf weliswaar ‘convergentie’, maar ‘gekaapt’ is misschien wel een beter woord.

Verwerking van een te weinig publiekelijk bekend, erkend en beleefd slavernijverleden, de pogingen daarmee ‘af te rekenen’, anti-racisme/emancipatie liggen ogenschijnlijk in elkaars verlengde en raken elkaar ook, maar zijn in de kern aparte thema’s. Anti-racisme/emancipatie is misschien wel een breuk met het verleden, het is niet hetzelfde als ermee afrekenen of ermee ‘in het reine’ komen, voor zover dat überhaupt mogelijk en wenselijk is.

Het is belangrijk deze thema’s gescheiden te houden. Waarom? Omdat emancipatie alleszins lovenswaardig en noodzakelijk is en straatnamengedoe in het geheel niet. Het polariseert en is contra-productief en daar schiet niemand iets mee op. Ook de anti-racisme-beweging niet, die zich hiermee te kijk zet als een club hysterische iconoclasten.

Met een anti-koloniale beeldenstorm versterk je een bij een groeiende bevolkingsgroep diep gevoeld en al langer bestaand onbehagen over de Nederlandse identiteit. Een onbehagen dat ik maar even als volgt samenvat: grenzen weg, gulden weg, zekerheden overboord, immigratie, Zwarte Piet mag ook al niet en nu willen ze het verleden ook afpakken. Houdt het dan nooit op? Sentimenten die in potentie als een boemerang kunnen terugkomen, bijvoorbeeld in de vorm van een stevige ruk naar rechts.

Met radicaal straatnamenrevisionisme boek je misschien op de korte termijn een ogenschijnlijk succesje wanneer een bang geworden basisschoolbestuur of kunstinstituut van naam verandert, je schiet er uiteindelijk mee in je eigen voet. Er is namelijk een grote groep gematigde Nederlanders die hierdoor ook de hakken in het zand gaat zetten. Deze middenmoot heeft weinig op met snelweg blokkerende pro-Zwarte Piet-activisten, maar evenmin met radicaal en absurd iconoclasme. En al helemaal niet wanneer dat vergezeld gaat van dat onverzoenlijke wie-niet-voor-ons-is-is-tegen-ons-en-staat-aan-de-verkeerde-kant-van-de-geschiedenis-toontje. Dan gaat het gematigde middenveld terugduwen en haakt een groot deel ervan net zo af als dat het in de Zwarte Piet-discussie heeft gedaan. It’s the tone of voice, stupid!

Het is dus onverstandig om het straatnamendebat op politieke agenda’s te zetten. Niet op die van rechts, maar zeker ook niet op die van links. Het verleden is weliswaar van ons allemaal, maar niemand heeft daar op eigen houtje aan te sleutelen. Laat dat liever aan historici over. Wat overigens niet wegneemt dat straatnamengedoe er wél bij hoort. Net als zeiken over het slechte weer, klagen over de fiscus, het belastingvrije topinkomen van Willem Alexander en Maxima of de ondermaatse prestaties van het Nederlandse elftal, hoort het mauwen over straatbordjes bij de Nederlandse cultuur en is het inherent aan een dynamische samenleving. Laat foute namen dus bestaan, maar voorzie ze van context, van het geschiedenisonderwijs moeten we het namelijk niet hebben. En blijf er ook vooral tegenaan schoppen lieve mensen, dat houdt het verleden lekker levend en biedt ons het nodige vermaak. En geeft schrijver dezes ten slotte weer een aanleiding daar dan af en toe een zuur stukje aan te wijden.

DELEN