Verstandige bestuurders

Foto: Wouter Engler

Afgelopen week luisterde ik naar het radioprogramma Kamerbreed. Gasten van de dag waren twee verstandige mannen. Twee zeer ervaren bestuurders van verschillende politieke achtergrond. Het waren burgemeester Ahmed Aboutaleb van Rotterdam en oud-burgemeester Jozias van Aartsen van Den Haag. Het gesprek ging over allerlei kwesties, waaronder de onvermijdelijke kabinetsformatie. Twee onderwerpen wil ik hier nader bespreken, omdat ze naar mijn mening te weinig aandacht krijgen in het publieke debat, maar zeker ook in de landelijke politiek: de betekenis van de grote stad in de landelijke politieke besluitvorming en de oproep moslims als bondgenoten te beschouwen in plaats van als probleem. Hoewel beide bestuurders ongetwijfeld politieke verschillen van mening hebben over aanpak en uitwerking van beleid, waren ze in de uitzending eensgezind in het benadrukken van het belang van deze thema’s.

Het belang van de grote stad. Beide bestuurders stelden vast dat de onderhandelaars bij de kabinetsformatie zo ongeveer iedereen hadden uitgenodigd om advies te geven behalve de vertegenwoordigers van de grote steden. Zij beklaagden zich daar niet zozeer over als een stel kleine kinderen die hun zin niet krijgen; zij vonden het vooral bizar en onverstandig dat de burgemeesters van de grote steden niet om advies was gevraagd. Want, daar in die grote steden gebeurt veel. Daar vinden belangrijke ontwikkelingen plaats. Niet alleen zijn grote steden snelkookpannen, brandpunten van ontwikkelingen met een enorme dynamiek; maar bewoners identificeren zich in toenemende mate in eerste instantie met de stad en steeds minder met het land als geheel.

Ondanks dat worden steden door landelijke politici toch vooral gezien als een gewone bestuurlijke eenheid in een nationale staat, niet wezenlijk anders dan dorpen of provincies. De vanzelfsprekendheid van de nationale staat als belangrijkste politieke kader, maar vooral de opvatting dat de nationale staat de ‘natuurlijke’ eenheid is waarmee je je als burger primair identificeert en waarin je integreert, is even hardnekkig als feitelijk achterhaald. Burgers, vooral in de grote steden omschrijven zich steeds vaker in de eerste plaats als stedelingen, of ze identificeren zich met verbanden die de nationale staat overstijgen. Dat is een keiharde maatschappelijke realiteit.

Nationale integratie wordt geleidelijk een gepasseerd station. In dat verband doet de belachelijke eis van het CDA om staand het volkslied te zingen meelijwekkend aan. Nationalistische partijen als de PVV en het FvD trekken helaas nog veel stemmen met valse beloftes over nationale identiteit, maar op termijn wordt dat een achterhoedegevecht. Zover zijn we helaas nog niet, maar hun huidige succes is een laatste stuiptrekking in een onvermijdelijk verloren strijd.

Ik wil al deze overwegingen over de grote stad niet in de mond van Van Aartsen of van Aboutaleb leggen, maar hun pleidooi om het potentieel en het belang van grote steden veel meer naar voren te halen lijkt me meer dan relevant. Kijk niet uitsluitend naar grote steden door een soort nationale bril, maar accepteer hun eigen dynamiek.

Dan de oproep van deze twee heren, bestuurders die met hun voeten diep in de klei staan, om nu eindelijk eens op te houden de islam als een probleem te zien en in plaats daarvan moslims als bondgenoten te beschouwen. In de nasleep van de aanslag in Barcelona bleek dat er een imam bij betrokken was die zichzelf per ongeluk bij het maken van explosieven opblies. Hij zou de daders van de aanslag ideologisch hebben gevormd. Die gebeurtenissen vielen samen met de maatregelen aan het adres van de salafistische imam Fawaz Jneid die preken organiseert in een boekwinkeltje in de Haagse Schilderswijk. Hij kreeg een gebiedsverbod opgelegd, maar trok zich daar niets van aan. Dat Jneid een lastig mannetje is, dat weten we. De vraag of een gebiedsverbod nu veel zoden aan de dijk zet laat ik hier ook voor wat het is. Daar ging het gesprek tussen Aboutaleb en Van Aartsen ook niet over. In de nasleep van deze gebeurtenissen brak andermaal morele paniek uit over ‘rondreizende haatimams’ en over ‘ongrijpbare dreiging’ die er van deze lieden zou uitgaan.

Zoals meestal bij de berichtgeving over dit soort gebeurtenissen, helaas soms ook in deze krant, wordt steeds weer gesteld dat we onze ogen niet moeten sluiten voor de problemen die inherent zouden zijn aan de islamitische leer. Aboutaleb en Van Aartsen stelden met zoveel woorden dat het er om gaat om van de andere kant te beginnen en vast te stellen dat moslims noch de islam als zodanig het probleem zijn. Zo’n opstelling getuigt niet alleen van moed en staat mijlenver af van het gedraai van veel landelijke politici; het is een principiële stellingname tegen de uitsluiting van moslims. Daar zouden die politici eens een voorbeeld aan kunnen nemen.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.