Was ik niet hun hufterige en perverse zionistische vijand?

Foto: Reuters

Als ik ’s ochtends wakker word pak ik meteen mijn smartphone. Het is een ietwat neurotische gewoonte, maar ik wil er zeker van zijn dat ik niets heb gemist tijdens mijn acht uur slaap. Meestal gooi ik eerst een hele berg spammails weg met aanbiedingen van Sunweb vakanties en muziekfestivals waar ik ooit ben geweest. Afgelopen dinsdag begon mijn dag echter anders. Ik kreeg een melding binnen dat ik nieuwe berichten op Twitter had en opende – tegen beter weten in, want iedereen weet wat voor verbaal riool Twitter kan zijn – de app met het blauwe vogeltje. Nog voor ik mijn ogen goed en wel open had kreeg ik de ene na de andere scheldkanonnade over me uitgestort. Ik was een ‘perverse zionist’ en een ‘hufter’. Mijn ‘lieve’ volgers vonden het nodig om naast deze vrij grove benamingen foto’s van vermoorde Gazaanse baby’s op mijn tijdlijn te plempen. Ook goedemorgen! Wat had ik nou weer misdaan? Na mijn eerste kop koffie begreep ik dat het om een artikel ging waarin ik had geschreven dat ik tijdens de bruiloft van mijn nicht in Israël één moment níet aan het conflict had gedacht en me daar eigenlijk wel prettig bij voelde.

Hoewel ik meestal erg gelukkig word van mijn werk, en met name van het verbinden van verschillende groepen in de samenleving, zijn er ook momenten dat ik het bijltje er bij neer wil leggen. Op zulke dagen vraag ik me af wat voor zin het allemaal heeft en voel ik me ongelooflijk eenzaam. Ik wist meteen dat dit zo’n dag zou worden. Mijn hart bonkte te snel in mijn keel, mijn knieën beefden en ik wilde het liefst rechtsomkeert maken naar mijn bed. Toch ging ik verder met mijn ochtendritueel, want er zaten twee schoolklassen op me te wachten waarmee ik over de relatie tussen joden en moslims in Nederland zou praten.

Terwijl ik de boekwinkel waar het gesprek zou plaatsvinden binnenwandelde voelde ik me nog altijd nerveus en trillerig. Het waren niet zomaar klassen waar ik een hele ochtend voor moest staan, maar zogenaamde kopklassen; een kopklas is een schooljaar tussen de basisschool en het voortgezet onderwijs in voor leerlingen met een taalachterstand. De leerlingen komen doorgaans niet alleen uit Nederland, maar ook uit landen als Syrië, Turkije, Albanië en Irak. Normaal gesproken vind ik zulke leerlingen juist extra leuk, maar omdat er nu een wolk van pessimisme om me heen hing, vreesde ik dat ze misschien helemaal geen zin hadden in een jood. Was ik niet hun vijand, een hufterige en perverse zionistische vijand?

Maar zodra de tweeëndertig leerlingen voor me zaten verdween mijn angst als sneeuw voor de zon. Door mijn negatieve houding was ik zélf bevooroordeeld geraakt, want nooit eerder ontmoette ik zo’n ambitieuze en enthousiaste groep scholieren. Omid vond het vreselijk om te horen dat ik wel eens word uitgescholden voor ‘kankerjood’. Fatima vertelde dat ze begreep hoe dat voelde, omdat ze zelf ook af en toe wordt nagejouwd vanwege haar hoofddoek. Mustafa was erg onder de indruk van het vluchtverhaal van mijn grootouders tijdens de Tweede Wereldoorlog. En Eren merkte op ‘waarom mag iedereen niet gewoon zijn wie hij of zij is?’

Aan het einde van de bijeenkomst schreven de scholieren een brief aan me vol lieve woorden. Sommige leerlingen onthulden dat ze nu een heel ander beeld hadden van joden dan voor ons gesprek. Ik heb de brief bovenin mijn bureaula gestopt. Als ik ooit weer twijfel aan het nut van de dialoog, pak ik hem erbij. Ze hebben er zelf waarschijnlijk geen idee van, maar door dit soort geweldige kinderen hou ik het vol om te doen wat ik doe. En dat zal ik blijven doen. Iedere dag opnieuw.