Waarom Nederlandse activisten zich laten inspireren door black history VS

Foto: AP. Bobby Seale (links) & Huey Newton.
Om Nederlandse anti-racisten beter te begrijpen is kennis van Amerikaanse black history noodzakelijk.

Voor het Nederlandse anti-racisme-debat is de Amerikaanse discussie allesbepalend. Denk aan Zwarte Piet die door zwarte activisten blackface wordt genoemd, naar de zwart geschminkte karikatuur in negentiende-eeuwse theatervoorstellingen in het Amerikaanse zuiden. Denk daarbij ook aan begrippen zoals ‘institutioneel racisme’ en ‘wit privilege’, de bewondering voor activisten zoals Rosa Parks en Malcolm X en de nadruk op de eigen zwarte identiteit.

Om de Nederlandse discussie over racisme beter te begrijpen is kennis van de Amerikaanse geschiedenis noodzakelijk. Waarom leidde de afschaffing van de slavernij in 1865 niet tot echte emancipatie van de zwarte gemeenschap? Hoe erg was het racisme in de Verenigde Staten? Hoe reageerden zwarte leiders daarop? Waarom wist de zwarte burgerrechtenbeweging in de jaren vijftig en zestig uiteindelijk aan het langste eind te trekken? En hoe kwam het dat een deel van de beweging daarna radicaliseerde en koos voor Black Power?

Mislukte emancipatie
Her bestaan van de slavernij in de zuidelijke staten was één van de belangrijkste redenen waarom noord en zuid tussen 1861 en 1865 een bloedige burgeroorlog uitvochten. De noordelijke staten wonnen deze oorlog, de slavernij werd afgeschaft en de zuidelijke staten werden meer dan tien jaar bezet door noordelijke troepen. Aanvankelijk leidde de emancipatie (zo werd de afschaffing van slavernij genoemd) ertoe dat zwarten hun lot in eigen handen namen. Een deel verging het wel en zij belandden in de middenklasse. Zwarten mochten stemmen en werden ook politiek actief.

Deze zwarte emancipatie riep weerstand op bij de blanken in het zuiden. Racistische groeperingen zoals de Ku Klux Klan, de Red Shirts en de White League terroriseerden de zwarte bevolking. Ook namen de zuidelijke staten, toen de noordelijke troepen weer waren vertrokken, wetten aan die zwarte de facto discrimineerden: de zogenoemde Jim Crow Laws. Deze wetten waren vernoemd naar het blackface-typetje Jim Crow uit 1828 van de blanke acteur Thomas Rice. In het zuiden werd een stembelasting ingevoerd en kiezers werden onderworpen aan moeilijke alfabetiseringstesten (waar laaggeletterde blanken echter niet mee lastig werden gevallen). Er waren in de jaren na de Amerikaanse Burgeroorlog enkele zwarte politici die het ver schopten in de politiek, maar als gevolg van de discriminerende maatregelen verloren de zwarten vanaf de jaren negentig van de negentiende eeuw hun machtspositie. Aan het begin van de twintigste eeuw zat er geen enkele zwarte politicus meer in het Huis van Afgevaardigden of in de Senaat en dat zou decennialang zo blijven.

De belangrijkste voorman van zwarte gemeenschap in deze moeilijke periode was Booker T. Washington. Hij was directeur het Tuskegee Institute, een zwarte onderwijsinstelling in Alabama die zou uitgroeien tot de Tuskegee University. In 1895 hield Washington de Atlanta Exposition Speech, waarin hij de zwarte Amerikanen opriep zich vooral te richten op onderwijs en ondernemerschap in plaats van de confrontatie met de blanken aan te gaan. Hij was tegen de Jim Crow Laws, maar vond het ontactisch om de confrontatie aan te gaan. De zwarten hadden de tijd niet mee. Washington had een deal gesloten met enkele blanke leiders in het zuiden: als de zwarten de Jim Crow Laws niet zouden aanvechten dan kregen ze beperkte ontplooiingsvrijheid. Niettemin financierde Washington in het geheim rechtszaken die deze racistische wetten aanvochten.

Naar aanleiding van zijn autobiografie Up from slavery werd Washington, als eerste zwarte, persoonlijk uitgenodigd door de president Theodore Roosevelt om eens langs te komen op het Witte Huis. Zuidelijke politici waren woedend. Veelzeggend was de reactie van senator Benjamin Tillman van South Carolina: ‘The action of President Roosevelt in entertaining that nigger will necessitate our killing a thousand niggers in the South before they will learn their place again.’

NAACP
In 1896 besloot het Hooggerechtshof in de zaak Plessy v. Ferguson de rassenscheiding in het openbare leven toe te staan onder de doctrine seperate but equal. In de praktijk kwam er van die gelijkheid niets terecht en stond het Hooggerechtshof apartheidspolitiek in de zuidelijke staten toe. Zwarten mochten in openbare bibliotheken, parken en theaters niet komen, kregen slechtere woningen toegewezen en hadden aparte scholen die veel minder budget tot hun beschikking hadden. Zwarten moesten ‘hun plek kennen’. Zwarte mannen mochten bijvoorbeeld een blanke vrouw niet in de ogen kijken (als ze dat wel deden liepen ze risico te worden gelyncht) en zwarten moesten in de bus hun plek afstaan als een blanke daar wilde gaan zitten.

Het racisme won begin twintigste eeuw aan populariteit. Dit was vooral te danken aan de stomme (zonder geluid) film Birth of a nation (1915) van D.W. Griffith, die gebaseerd was op een roman over het ontstaan van de KKK. In deze film werden zwarte mannen (uiteraard gespeeld door blanke mannen met een blackface) geportretteerd als verkrachters van blanke vrouwen. ‘Gelukkig’ kwamen de KKK-strijders to the rescue en leerden de zwarten een lesje. Deze racistische film was de eerste blockbuster en werd door maar liefst vijfentwintig miljoen Amerikanen bekeken. De KKK, die jarenlang haar activiteiten op een laag pitje had gezet, maakte dankzij Birth of nation een sterke heropleving door.

Een jaar na het uitkomen van Birth of a nation werd de zwakbegaafde zwarte jongen Jesse Washington gelyncht in Wacco, Texas, nadat hij ervan beschuldigd werd een blanke vrouw te hebben verkracht en vermoord. Washington werd na een kort proces ter veroordeeld en vervolgens door een woedende menigte gecastreerd, levend verbrand en opgehangen. Meer dan tienduizend mensen waren getuige van deze moord, onder wie ook veel vrouwen en kinderen.

Omdat het racisme zo hardnekkig was besloten enkele zwarte intellectuelen uit het noorden zich te verzetten tegen de aanpassingsstrategie van Booker T. Washington. De voorman van de jonge radicalen was W.E.B. Du Bois, de eerste zwarte die in Harvard een doctorstitel behaalde. Du Bois en zijn medestanders richtten in 1909 de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP) op, een proefprocessenfonds dat geld beschikbaar stelde aan rechtszaken die de maatschappelijke en juridische positie van zwarten verbeterden.

De NAACP gaf ook een maandblad uit, The Crisis, dat bijna helemaal vol werd geschreven door hoofdredacteur Du Bois. Hij keerde zich tegen lynchpartijen in het zuiden en deed daarnaast zijn best om de zwarten een eigen identiteit te geven. Zo was het Oude Egypte volgens Du Bois in werkelijkheid een zwarte beschaving geweest. The Harlem Renaissance, een periode van grote culturele bloei in de New Yorkse wijk Harlem, werd door Du Bois omarmd. Kunst was echter ondergeschikt aan ideologie. Je identiteit was volgens Du Bois in de eerste plaats zwart, daarna was je pas kunstenaar, muzikant of schrijver.
Du Bois vond dat zwarten zich moesten emanciperen en moesten integreren in de Amerikaanse samenleving. Intellectuelen als hij waren de natuurlijke leiders, die een voortrekkersrol te vervullen hadden. Du Bois had dan ook felle kritiek op Marcus Garvey, die van mening was dat de Afro-Amerikanen weer terug naar Afrika moesten. Garvey bedreigde het leiderschap dat Du Bois zo graag wenste, maar ook stond zijn separatistische droom – moeder Afrika als het beloofde land voor de Afro-Amerikanen in de diaspora – integratie in de weg. De beweging van Garvey ging echter als een nachtkaars uit toen bleek dat hij met zijn bedrijf, de Black Star Line, had gefraudeerd.

Met de zwarte integratie in de Amerikaanse samenleving schoot het lange tijd niet op. Zo werden de zwarten buiten de vakbeweging gehouden. De blanken hadden hun eigen bonden, waar zwarten niet welkom waren. Du Bois sympathiseerde met het marxisme, vooral als anti-kolonialistische theorie. Het racisme was volgens hem een gevolg van het kapitalisme, omdat rijke blanken daarmee de arme blanken tegen de arme zwarten konden uitspelen. Helemaal ongelijk had hij hierin niet. Als blanke arbeiders gingen staken zorgden de werkgevers ervoor de zwarte arbeiders hun werk overnamen. Het gevolg was dat niet de blanke werkgevers maar de zwarte arbeiders het bokje waren. Ook in de grote steden in het noorden, waar veel zwarten tussen 1910 en 1970 naartoe emigreerden, ontstonden rassenrellen omdat de zwarte arbeiders, die goedkoper waren, de banen van de blanken ‘afpakten’.

Vanwege zijn steeds radicalere standpunten (sympathie voor de Japanse expansiepolitiek in het Verre Oosten, bewondering voor Stalin en Mao, lidmaatschap van de Communistische Partij) kwam Du Bois steeds meer aan de zijlijn te staan. De NAACP zette met wijzere mensen haar werk voort en wist in 1954, negen jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, in de zaak Brown vs. Board of Education een grote overwinning te behalen. Rassenscheiding was volgens het Hooggerechtshof nu ongrondwettelijk. Het kostte de burgerrechtenbeweging echter nog tien jaar om die gelijkheid in het zuiden te implementeren.

Burgerrechtenbeweging
De burgerrechtenbeweging werd gekenmerkt door acties van burgerlijke ongehoorzaamheid. Dit zorgde voor crisissituaties en dwong de regering om met de activisten in dialoog te gaan. Overheden werden gedwongen meteen te reageren op deze misstanden die de ongelijke behandeling van zwarten aantoonden.

Een belangrijke gebeurtenis was de Montgomery Bus Boycott. Rosa Parks weigerde op 1 december 1955 op te staan voor een blanke in de bus. Ze werd gearresteerd en haar zaak werd nationaal nieuws. De boycot duurde 381 dagen totdat de busmaatschappij door de knieën ging en een einde maakte aan de segregatie. Plaatselijke leiders stichtten de Montgomery Improvement Association om hun activiteiten te coördineren. Martin Luther King Jr. werd voorzitter van deze club. Hij deed een appél op christelijke waarden en Amerikaans idealisme, waardoor King ook door veel blanken als een acceptabel figuur werd gezien.

In 1957 barstte de bom in Little Rock, Arkansas, toen negen zwarte leerlingen niet werden toegelaten op een openbare school. De gouverneur van Arkansas belde zelfs de Nationale Garde om de zwarte leerlingen tegen te houden. President Dwight D. Eisenhower besloot om in te grijpen. Hij zorgde ervoor dat de Nationale Garde onder federaal bestuur kwam te staan en dwong ze daarna om terug te keren naar hun barakken. Vervolgens liet hij de 101st Airborn Division invliegen die de zwarte leerlingen moest beschermen als zij naar school wilden gaan. Het hielp weinig. Als de soldaten even niet opletten werden de zwarte leerlingen getreiterd en vernederd. Uiteindelijk wist daarom maar één leerling de school met een diploma te verlaten. Meteen nadat hij van school was besloot Little Rock alle openbare scholen te sluiten. Veel andere steden in het zuiden volgden. De blanken gingen naar hun eigen bijzondere scholen die particulier gefinancierd werden. Aan de segregatie kwam dus feitelijk geen einde.

Andere acties die de zwarte activisten organiseerden waren sit-ins, om winkels in het zuiden te dwingen te stoppen met hun racistische beleid, en de zogenoemde freedom rides, die in 1961 werden georganiseerd. Doel van deze laatste actie was een einde te maken aan de segregatie in het openbaar vervoer in het zuiden. De freedom riders werden regelmatig in elkaar geslagen door KKK-leden. De KKK was stiekem ingelicht door de racistische politie, die vaak pas een kwartier later kwam opdagen. Tot die tijd had de KKK-terreur vrij spel. Om te voorkomen dat de zwarten weer zouden stemmen pleegde de KKK bovendien bomaanslagen op zwarte doelen en werden sommige zwarte activisten vermoord.

In de zomer van 1963 vonden er veel gewelddadige confrontaties tussen blanken en zwarten plaatsen, waarbij soms doden vielen. Ook in het noorden, in Chicago, Harlem en Philadelphia, werd er gevochten. Op 28 augustus dat jaar vond de mars naar Washington plaats. De demonstranten eisten vrijheid en banen. Martin Luther King Jr. hield voor het Lincoln Memorial zijn memorabele I have a dream-speech. Dit had effect. De Amerikaanse president John F. Kennedy en zijn opvolger Lyndon Johnson zetten zich daarna in voor de zwarte burgerrechten. In 1965 werd de Voting Rights Act aangenomen. Deze wet draaide de kiezersbelasting, de alfabetiseringstesten en andere subjectieve kiestesten terug. De zwarten hadden nu eindelijk stemrecht.

Black Power
In reactie op het blanke racistische geweld radicaliseerde een deel van de burgerrechtenbeweging. Grote held van de radicalen werd Malcolm X. In zijn beruchte The ballot or the bullet-speech verdedigde Malcolm X zwarte activisten die geweld gebruikten: ‘There’s a new strategy coming in. It’ll be Molotov cocktails this month, hand grenades next month, and something else next month. It’ll be ballots or it’ll be bullets.’

Op 4 april 1968 werd Martin Luther King Jr. doodgeschoten door een blanke racist. De radicale activist Stokely Carmichael concludeerde dat de enige zwarte die chaos had kunnen voorkomen nu was vermoord. De zwarten zouden daarom elke grote stad tot de grond toe afbranden. Hij leidde een menigte die in Washington DC de boel aan diggelen sloeg. In Honderdtien Amerikaanse steden braken rassenrellen uit.

Twee jaar eerder, in 1966, hadden de Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC) en de Congress of Racial Equality (CORE) het concept Black Power omarmd. De burgerrechtenbeweging stond voor freedom now, Black Power was agressiever. Stokely Carmichael wilde niet bij de blanken bedelen om meer rechten, je moest zelf de macht grijpen. Ook was Black Power antiwesters. Carmichael noemde het een beweging die alles sloopte wat de westerse beschaving had geschapen. Maar Black Power draaide echter vooral om zwarte trots en zwarte identiteit. Tot media jaren zestig waren zwarte Amerikanen net zo braaf en burgerlijk gekleed als de blanken. Dat veranderde daarna: ze gingen Afrikaanse kleding dragen en afrokapsels. Ook kozen veel activisten voor een Afrikaanse naam: Stokely Carmichael noemde zich voortaan Kwame Ture.

Black Power werd vooral berucht door de Black Panther Party, ondanks de naam meer een sociale beweging trouwens, die in 1966 was opgericht door Huey Newton en Bobby Seale. De zwarte panters hingen de ideologie van Malcolm X aan en hanteerden zijn compromisloze by any means necessary-strategie. Alle mogelijke middelen waren, althans in theorie, geoorloofd. De Black Panthers wilden zwarte buurten zuiveren van de blanke politie. Politieagenten werden pigs genoemd, Black Panthers begroetten elkaar met een opgeheven vuist en gebruikten vaak de slogan: power to the people.

De Black Panthers ontwikkelden ook hun eigen versie van het feminisme, het womanisme, waarin het draaide om de strijdbare black woman. Het gewone feminisme was namelijk blank en dus kolonialistisch en racistisch. In de krant van de Black Panthers werden deze women gefotografeerd met een geweer in de hand. Ze beschermden daarmee huis en haard tegen de boze blanke mannen, die allemaal potentiële verkrachters zouden zijn. Blank en zwart hebben blijkbaar dezelfde vooroordelen over elkaar.

En nu?
Veertig jaar na de burgerrechtenbeweging is de situatie van de zwarten in de Verenigde Staten helaas verre van ideaal. Ze zijn nog steeds oververtegenwoordigd in de gevangenis, ze zijn vaak veel armer dan blanken en worden in het zuiden nog steeds gediscrimineerd, hoewel niet zo erg als vroeger. De afschaffing van slavernij leidde niet tot gelijke rechten voor zwarten, de burgerrechtenbeweging van de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw helaas ook niet. Toch is de situatie vele malen beter dan vroeger. Helaas leeft vijfentwintig procent van de zwarten onder de armoedegrens, maar daarnaast zijn er ook veel zwarten die hogerop zijn geklommen op de maatschappelijke ladder. Dat de zwarte gemeenschap zeer gevoelig gereageerd op (al dan niet vermeende) racistische incidenten is zeer begrijpelijk. De Verenigde Staten kennen immers een lange geschiedenis van blank racistisch geweld tegen zwarten. Er valt nog veel te doen.

Dat zwarte activisten in Nederland zich door Amerika laten inspireren is heel begrijpelijk. De geschiedenis van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging is immers nogal zwart-wit. Het is verhaal van blanke onderdrukking en van zwarte helden (niet allemaal onomstreden) die zich daartegen verzetten. Hoewel de situatie in Nederland natuurlijk niet één op één met die van Amerika te vergelijken valt wordt dat wel zo beleefd door anti-racisten. Deze black history geeft hun een doel, een verhaal, een identiteit. Kennis van deze geschiedenis is noodzakelijk als je echt een constructieve dialoog wil voeren.

DELEN
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.