Home Wereld ‘Trots op onze rots!’ Aruba staat stil bij 34 jaar Status Aparte

‘Trots op onze rots!’ Aruba staat stil bij 34 jaar Status Aparte

De Arubaanse vlag (Foto: Pixabay)

Sinds 2010 hebben alle Caraïbische eilanden binnen het Koninkrijk der Nederlanden een eigen status. Maar voor Arubanen is 18 maart nog steeds de dag waarop de Status Aparte wordt gevierd. Met deze aparte status had Aruba sinds 1986 lange tijd een uitzonderingspositie binnen de Nederlandse Antillen.

De Nederlandse Antillen bestaan al bijna tien jaar niet meer. De eilanden Saba, Bonaire en St. Eustasius zijn sinds 10 oktober 2010 bijzonder gemeenten van Nederland. St. Maarten en Curaçao zijn, net zoals Aruba, zelfstandige landen geworden binnen het koninkrijk. Met de keuze van deze twee eilanden vormt Aruba als zelfstandig land binnen het koninkrijk geen uitzondering meer. Toch wordt 18 maart, de dag dat Aruba haar Status Aparte verwierf, nog steeds gevoeld als een bijzondere dag.

Ieder jaar wordt de 18e maart – Dia di Himno y Bandera (Dag van het Volkslied en de Vlag) – door veel Arubanen gevierd als de lang bevochten ‘onafhankelijkheid’ van het eiland. Maar waarom wilde het kleine eiland Aruba eigenlijk zo graag een aparte status binnen de Nederlandse Antillen? En hoe is het zo ver gekomen?

Oranjestad, Aruba (Foto: Pixabay)

Arubaanse onvrede

Jurist Aubrich Bakhuis is geboren in Apeldoorn en heeft een Arubaanse moeder en een vader uit Curaçao. Hij promoveerde deze maand aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam op de verhouding tussen Nederland en de voormalige koloniën in de Caraïbische gebied. Zijn proefschrift is voor een aanzienlijk deel gewijd aan de Arubaanse weg naar autonomie. Een weg die al lang voor de Tweede Wereldoorlog begon.

Bakhuis: ‘Waar ik tijdens mijn onderzoek achter kwam was dat ‘autonomie’ in de Arubaanse context iets wezenlijk anders betekende dan voor de andere eilanden binnen de Antillen. En om dit te begrijpen moeten we eigenlijk teruggaan naar het jaar 1922.’

1922 is een bijzonder jaar in de geschiedenis van Aruba. Een Nederlandse grondwetswijziging bepaalde dat de Nederlandse Antillen vanaf toen niet meer werden bestuurd vanuit Den Haag. ‘Het is ook het moment dat de overzeese gebieden geen koloniën meer werden genoemd. Zowel in Indonesië, Suriname als de Nederlandse Antillen groeide het politieke bewustzijn’, vertelt Bakhuis.

Het dekolonisatieproces, dat – niet alleen in Nederland – langzaam in gang werd ingezet in de jaren twintig, leidde in 1936 tot een volgende grote stap. De Nederlandse Antillen kregen een eigen volksvertegenwoordiging, deels aangewezen, deels gekozen.

Bakhuis: ‘Echt democratisch kun je deze volksvertegenwoordiging, de Staten van de Nederlandse Antillen, op dat moment nog niet noemen, maar dat veranderde met de Grondwetsherziening van 1948. Toen kwam er een echt gekozen vertegenwoordiging voor de Nederlandse Antillen.’

De jurist ziet de periode die daarop volgt als een interim-situatie, ingegeven door de bloedige onafhankelijkheidsoorlog tussen Nederland en Indonesische nationalisten. Maar het is eigenlijk al vanaf het prille begin van de nieuwe staatkundige verhoudingen dat het Antilliaanse verband begint te knellen voor Aruba.

‘De zetelverdeling binnen de Staten van de Nederlandse Antillen was gebaseerd op het aantal inwoners van de afzonderlijke eilanden. Van de 22 zetels in totaal lag de zetelverhouding Aruba-Curaçao op 8 tegen 12. De 2 resterende zetels waren voor de andere eilanden. En wat je dan ziet is dat al in 1948 een Arubaanse ‘seperacion’-beweging begint op te komen.’

Arubaans zelfbewustzijn

De vraag waarom juist Aruba zich wilde losmaken binnen de Nederlandse Antillen heeft Bakhuis niet specifiek onderzocht in zijn proefschrift, al heeft hij daar wel ideeën over. ‘De verschillende eilanden binnen de Nederlandse Antillen kennen natuurlijk een andere geschiedenis. Dat heeft in de loop der eeuwen ook geleid tot verschillende bevolkingssamenstellingen.’

Omdat Aruba vanwege haar droge rotsbodem ongeschikt was voor grote, lucratieve slavenplantages ontwikkelt het zich anders dan bijvoorbeeld het grotere en groenere Curaçao, maar ook anders dan nog kleinere eilanden als Saba en St. Eustasius.

‘De Tweede Wereldoorlog werkte als katalysator in de strijd voor Arubaans zelfbestuur’

Bakhuis: ‘Op Aruba ontwikkelt zich relatief vroeg, eigenlijk parallel aan Curaçao, een politieke volwassenheid. Dat komt door de olieraffinaderij die begin twintigste eeuw op Aruba wordt gevestigd. Deze industrie brengt het eiland tot een snelle economische groei. Met deze welvaart komt niet alleen het onderwijs tot bloei, maar ook een politiek bewustzijn en de kritische blik op de bestaande koninkrijksverhoudingen.’

Tijdens de Tweede Wereldoorlog krijgt Aruba een grote rol in de brandstofvoorziening voor de geallieerden. ‘Een kwart van alle aardolie die tijdens de oorlog werd gebruikt in de strijd tegen de As-mogendheden werd geraffineerd op Curaçao en Aruba. De economie was daar dus echt booming in die jaren. Aruba had zelfs een begrotingsoverschot. In het licht van dit economische zelfbewustzijn stak het steeds meer dat Willemstad, de hoofdstad van Curaçao, politiek-bestuurlijk dominant was en bleef ten opzichte het kleine eiland. De Tweede Wereldoorlog werkte in die zin wel als katalysator in de strijd voor Arubaans zelfbestuur.’

De Arubaanse Status Aparte

Desondanks viel er wat betreft bestuurlijke hervorming tot in de jaren zeventig weinig te halen voor de Arubanen. Met de Grondwetswijziging van 1950-1951 komt er een einde aan de interim-regeling van 1948 en krijgen de eilanden zelfbestuur. Daarna bleef het lange tijd stil, op een paar conflicten binnen de Staten van de Nederlandse Antillen na.

Bakhuis: ‘In de jaren zeventig ontstaat met Arubaanse politici als Betico Croes en Henny Eman weer een opleving in het streven naar Arubaanse onafhankelijkheid – of beter gezegd: men wil loskomen van Curaçao en een directe bestuursband met Nederland.’

Het zou de onafhankelijkheid van Suriname (1975) zijn die leidt tot een echte crisis binnen de Nederlandse Antillen. ‘Eind jaren zeventig komt het tot een conflict, een coalitie-crisis binnen de Staten van de Nederlandse Antillen’, zegt Bakhuis daarover. ‘Aruba zag de ontwikkelingen in Suriname en de manier waarop de onafhankelijkheid daar steeds meer uitmondde in politieke onrust. Het eiland werd bang dat een eventuele onafhankelijkheidsbeweging op de Antillen zou leiden tot een politiek-bestuurlijke overheersing vanuit Curaçao.’

De Commissie Biesheuvel: twee scenario’s

Volgens de overlevering duikt het begrip status aparte, Papiaments voor ‘aparte status’, voor het eerst op als slogan van betogers tijdens een politieke manifestatie van de Arubaanse politieke partij Movimiento Electoral di Pueblo (MEP) op 18 maart 1973.

Betico Kroes tijdens een toespraak in 1982 (Foto: Nationaal Archief)

Onder leiding van Betico Croes (foto), voorman van de linkse volkspartij MEP, groeit de Arubaanse roep om een aparte status binnen de Nederlandse Antillen. In 1982 komt er een rapport uit van de Commissie-Biesheuvel, dat de weg vrijmaakt voor de lang gewenste autonomie van het eiland. De commissie had de opdracht om te onderzoeken wat de gevolgen zouden zijn van een Arubaanse onafhankelijkheid en hoe de weg hiertoe zou moeten worden bewandeld.

Bakhuis: ‘De conclusie was dat er grofweg twee scenario’s waren. Enerzijds een Status Aparte, waarbij Aruba een uitzonderingspositie kreeg binnen het Koninkrijk, maar wel onderdeel bleef van het Statuut en de Nederlandse Rechtsorde. Arubanen behielden dan de Nederlandse nationaliteit en buitenlands beleid viel ook nog binnen de verantwoordelijkheid van het Nederlandse ministerie. Anderzijds een directe onafhankelijkheid, waarmee Aruba direct volledig onafhankelijk zou zijn en een geassocieerd gebied zou worden van het Koninkrijk. Arubaanse burgers zouden dan ook geen koninkrijksburgers meer zijn, een Arubaans paspoort krijgen en een eigen ministerie van  Buitenlandse Zaken optuigen.’

Aruba kiest uiteindelijk niet voor directe onafhankelijkheid, maar voor de Status Aparte. Op 18 maart 1986 wordt de Status Aparte van Aruba een feit, het sluitstuk op een jarenlange strijd voor een losmaking uit de Nederlandse Antillen. De voorwaarde die Nederland hieraan stelt is dat het eiland in de jaren daarna zou toewerken naar een echte onafhankelijkheid, met 1996 als streefjaar. Die onafhankelijkheid zou er nooit komen.

‘Veel Arubanen wilden destijds eigenlijk vooral uit het Antilliaanse verband, maar helemaal niet per se onafhankelijk worden van Nederland’, aldus Bakhuis. ‘De politici van de MEP wisten dat heel goed toen ze in 1986 de toezegging deden aan de Nederlandse regering om toe te werken naar onafhankelijkheid. Misschien wisten ze het in Nederland ook wel, maar men kon op dat moment geen samenwerking weigeren. Nederlands was gebonden aan het Zelfbeschikkingsrecht uit het Handvest van de VN.’ Al in 1994 werd duidelijk dat Aruba niet klaar was voor een onafhankelijkheid en ook dat men het eigenlijk ook niet wilde.

10-10-10 en de gevolgen voor Aruba

Het einde van de aparte positie van Aruba binnen het koninkrijk dient zich aan met de grondwetsherziening van 10 oktober 2010. De Nederlandse Antillen werden op 10-10-10 officieel ontbonden. Alle eilanden mochten kiezen uit een aantal opties waarmee ze verbonden konden blijven met Nederland. Sommige eilanden kozen ervoor om provincies te worden van Nederland. St. Maarten en Curaçao kiezen in 2010 voor een constructie waarbij de eilanden – in grote lijnen – dezelfde rechten krijgen als Aruba.

Wel zijn er volgens Bakhuis belangrijke verschillen: ‘Het pakket is wel iets anders dan dat van Aruba: Nederland biedt St. Maarten en Curaçao bijvoorbeeld bepaalde waarborgen, zoals hulp bij schuldsanering, maar eist in ruil daarvoor ook extra financieel toezicht.’

‘Een economie die alleen draait op toerisme is kwetsbaar tijdens een economische crisis – of, zoals nu, een pandemie’

Voor Aruba veranderde er formeel niets op 10-10-10. De regering ontvangt geen begrotingssteun uit de Nederlandse staatskas en het eiland wordt nog steeds bestuurd door een eigen minister-president. De gouverneur vertegenwoordigt de Nederlandse Koning als staatshoofd op Aruba en wordt ook benoemd door de koning. Net zoals de koning in Nederland staat de gouverneur formeel aan het hoofd van de Arubaanse regering, maar hij is geen lid van het kabinet. Alleen: op het moment dat de gouverneur een instructie krijgt vanuit de minister Den Haag vervalt zijn rol als landsorgaan voor Aruba en wordt hij officieel Koninkrijksorgaan. Een ingewikkelde rol met twee petten.

Naast de gouverneur en de Arubaanse kabinet, kent Aruba ook nog een gevolmachtigd minister die Aruba vertegenwoordigt in Nederland en Europa. Deze staatskundige structuur en verhouding met Nederland is ook gekozen door Curaçao en St. Maarten.

Toch ziet Bakhuis dat het opheffen van de Nederlandse Antillen de verhoudingen binnen het koninkrijksrelaties heeft veranderd. ‘Juist door de versplintering van de oude staatkundige structuur tussen Nederland en overzeese rijksdelen is er een scherpere Nederlandse focus gekomen op het bestuur op de eilanden. Aruba lag lang buiten het vizier van Den Haag. Het eiland kreeg na de Status Aparte geen begrotingssteun meer vanuit Nederland. Aruba dopt in die zin zijn eigen boontjes. Maar iedereen herinnert zich nog de rel uit 2014 waarbij de Arubaanse minister-president Henny Eman in hongerstaking ging naar aanleiding van een Nederlandse interventie in de financiële huishouding van Aruba.’

De toenmalige gouverneur van Aruba, die hoofd van de regering was, kreeg vanuit Nederland een aanwijzing om de Arubaanse landsbegroting niet aan te nemen. Bakhuis: ‘Kijk je naar de financiële kant, dan was er zeker wel iets te zeggen over  de Arubaanse begroting van 2014. Maar de vraag was ook: is de staatsschuld van Aruba eigenlijk wel een Nederlandse aangelegenheid? Naar mijn inzicht was en is dit een kwestie die juridisch op het randje is. In mijn proefschrift ga ik daar ook dieper op in.’

Hoe verder?

Eén van de conclusies uit het proefschrift van Bakhuis is dat de Arubaanse Status Aparte van 1986 sinds 2010 in een ander licht is komen te staan: ‘Er is vanuit Nederland weer meer aandacht voor deugdelijkheid van bestuur in de overzeese rijksdelen. Ik denk dat de interventies vanuit Nederland de eilanden wel vooruit kunnen helpen, maar er zitten weeffouten in de juridische uitvoering van de interventies waardoor de ergernis vanuit de eilanden ook weer begrijpelijk is.”

Bakhuis: ‘We moeten nadenken over het instrumentarium voor toezicht en de onvermijdelijke hulp en bijstand aan de overzeese rijksdelen. Er moet rechtsgelijkheid zijn binnen een koninkrijk. Dat betekent dat je solidair moet zijn, ook al ligt een rijksdeel aan de andere kant van de oceaan. Als je in Europees Nederland de regel invoert dat een bewoner binnen acht minuten moet worden kunnen opgehaald door een ambulance, dan is dat duurder in Texel dan in Amsterdam. En misschien ook op Aruba of Curaçao. Maar dat zou niet moeten uitmaken.

Toch moet Aruba volgens Bakhuis accepteren dat het gewoonweg te klein is om alles alleen te kunnen. ‘De omvang maakt ze kwetsbaar voor grote vluchtelingenstromen uit Venezuela. Je ziet daarnaast dat een economie die eigenlijk alleen maar draait op toerisme kwetsbaar is tijdens een economische crisis – of, zoals nu, een pandemie.’


Hoe kijken Arubanen in Nederland naar 18 maart en naar hun eiland? We vroegen het aan: Jonathan Garcia, IT-recruiter

‘Ik ben geboren en getogen op Aruba in 1986, het jaar dat Aruba haar Status Aparte verkreeg. Ik ben opgegroeid met de vlag en het volkslied en gezegde ‘Orguyoso di nos pida baranca’ – ‘trots op onze rots’. Voor ons is het fijn geweest dat we sinds 1986 beslissingen kunnen nemen in ons eigen huis. Die autonomie is wel belangrijk voor de Arubanen. Net zoals een zekere mate van patriottisme typerend is voor de Arubaan.

Ik ben terechtgekomen in Nederland vanwege mijn opleiding International Business Management Studies. Door in Nederland te zijn leer ik Aruba nog meer waarderen en heb ik veel goede herinneringen aan het eiland: wandelingen in de natuur, de cunucu (het Arubaanse platteland, red.), de stranden en de openhartige mensen. De cultuur – van optimisme, openheid, barmhartigheid, mensen helpen – heeft me gevormd als persoon. Aruba is een prachtig eiland, maar als je alle natuurelementen weghaalt is de mens het belangrijkste.

Het eiland heeft sinds de sluiting van de olieraffinaderij in de jaren tachtig een eenzijdige economie die drijft op toerisme, dus is het cruciaal hoe wij als mensen zijn. Die gastvrijheid zit echter in onze volksaard.

Mijn moeder komt uit Venezuela en mijn vader is Nederlands. Die cultuurmix is ook wel typisch Arubaans. De Arubaanse mengcultuur zie je ook terug in onze volksmuziek en onze traditionele instrumenten, die een Zuid-Amerikaanse, maar ook Afrikaanse oorsprong hebben.

Ik heb het in Nederland goed naar mijn zin als ondernemer, maar wil wel echt terug om iets te betekenen voor het eiland. Op Aruba hebben we een jonge economie en een jonge regering, maar er zijn veel kansen voor professionals die nu in Nederland zitten. Op managementniveau is er genoeg werk binnen accountancy, horeca, toerisme, medische sector en niet te vergeten de IT.

De regeringen in Aruba hebben veel geïnvesteerd in het verduurzamen van het eiland. Denk aan windmolens, zonnepanelen, de infrastructuur en renovaties in de stad en van het vliegveld. Ik keek mijn ogen uit toen ik er na twee jaar terug was.’


Hoe kijken Arubanen in Nederland naar 18 maart en naar hun eiland? We vroegen het aan: Elizabeth Rose, zorgondernemer

‘Ik ben geboren in de Dominicaanse Republiek, waar mijn moeder vandaan komt, maar getogen op Aruba, Santa Cruz. De Arubaanse cultuur heb ik mijzelf helemaal eigen gemaakt: de liefde voor de indianen, het natuurpark Arikok. Ik heb funchi – een maïsgerecht – leren eten en pambati – platgeslagen brood met saus en vis –, heerlijk!

Ik voel mij verbonden met Aruba, maar heb er mijn identiteit wel moeten zoeken als puber. Hoeveel verschillende culturen er ook zijn, wie echte Arubaan is – en wie niet – is wel belangrijk op het eiland. Dat Arubaanse patriottisme komt uit het verleden. We hebben altijd moeten vechten voor onze identiteit, want we werden lange tijd overruled door Curaçao.

Ik was heel jong toen Aruba haar Status Aparte kreeg. Ik ben van 1979. maar wat ik me wel kan herinneren was alle commotie rondom de verkiezingen toen – de MEP van Betico Croes, auto’s met gele vlaggen. Heel Santa Cruz was voor de MEP. Zij hadden gevochten voor ons zelfbestuur. En Aruba kreeg een eigen vlag en een eigen volkslied – ‘Aruba dushi tera’.

In 2005 ben ik naar Nederland gekomen, ik was toen 25. Je studeert en dan moet je naar Nederland om jezelf verder te specialiseren, in mijn geval verpleegkunde aan het LUMC. Dat gaat nu iets anders. Er is op het eiland betere scholing en veel jonge Arubanen gaan nu ook naar Amerika of Costa Rica.

Ik kreeg hier een baan een man en een huisje en kinderen. Maar de heimwee blijft. Vooral als de zon schijnt denk je aan Aruba. Aan vroeger. Zondag gingen altijd naar Mango Halto – een strand –, naar de Chinees – Quihi Inn – en dan softijs eten bij Pastelería Estrella in Santa Cruz.

Wat ik van mijn familie hoor is dat de welvaart er nog steeds is, maar dat mensen soms toch minder goed rondkomen. De prijzen voor voedsel en wonen stijgen door toenemende accijns. Maar de overheid heft die belastingen om het gat te vullen in de begroting. Als je kijkt naar hoe Aruba vooruit is gegaan de laatste jaren qua infrastructuur, nieuwe wegen, investeringen in groene energie, dan is het niet gek dat er geld nodig is. Ik denk dat we daar heel veel profijt van kunnen halen.

De Arubaanse gemeenschap in Nederland is een beetje verspreid. Je komt elkaar wel tegen op familiefeestjes, of met nieuwjaar. Maar eigenlijk is een echte gemeenschap nauwelijks zichtbaar – totdat er ergens een Arubaans feest is. Dan komen we uit alle hoeken van Nederland. Eten, dansen…’


Het Genootschap Nederland-Aruba zou een bijeenkomst hebben gehouden in Nieuwspoort met een lezing door prof. dr. Raymond Gradus, voorzitter van het College Aruba financieel toezicht. Vanwege de corona-crisis is deze bijeenkomst verplaatst naar 1 juli.

Het Genootschap Nederland-Aruba is in 1997 opgericht en heeft tot doel om de banden tussen Aruba en Nederland te versterken. Het bestuur en de leden willen vanuit hun affiniteit met het eiland ook de belangstelling voor Aruba stimuleren. In 2017 vierde het Genootschap zijn twintigjarig bestaan en publiceerde het een boek over de balans van dertig jaar Status Aparte van Aruba.

Nico van Grieken, voorzitter van het Genootschap Nederland-Aruba maakte voor het eerst kennis met Aruba in de jaren zestig door de verhalen van een Arubaanse student in Den Haag. Later, in 1983-1984, schreef hij voor Elsevier diverse politieke en sociaaleconomische artikelen over Aruba en Curaçao. In de jaren negentig begon Van Grieken, na acht jaar bij het VNO te hebben gewerkt, in de Public Affairs. Een Arubaanse relatie stelde hem voor het land Aruba te adviseren bij de verbetering van de reputatie van het eiland.

Van Grieken: ‘In die tijd 1995 werd Aruba in de Nederlandse pers echt beschreven als een boeveneiland. Er deugde volgens de kranten niks, witwassen, criminelen. Frits Bolkestein, een VVD-kamerlid dat nog nooit eerder op Aruba was geweest, noemde het eiland in de 24 uur dat hij er was een roversnest. Nu gebeuren er in ieder land dingen die het daglicht niet kunnen verdragen dus ook op Aruba. Onafhankelijk van elkaar hebben Henk Timmer, een Nederlandse ondernemer die zijn hart ook aan het eiland had verpand, en ik toen besloten dat wij iets wilden doen om dit doorgeslagen negatieve beeld van het eiland een tegenwicht te geven. En zo is eigenlijk het Genootschap ontstaan.’

Nico van Grieken (links) overhandigt Henk Timmer – erelid en oud-penningmeester Genootschap Nederland-Aruba – het jubileumboek  ‘Aruba, balans van dertig jaar Status Aparte’ , dat het Genootschap Nederlands-Aruba uitbracht ter viering van zijn 20-jarig bestaan (Foto: Genootschap Nederland-Aruba)

Vorig jaar zat Aruba op een begrotingstekort van 1,5 procent, aldus Henk Timmer: ‘En dit jaar werken ze misschien toe naar een tekort van 0,5 procent. Daarna moeten er natuurlijk overschotten komen.’ Volgens Timmer is het primaire streven van politieke partijen op Aruba om de welvaart van de bevolking op peil te houden. Dat kan al snel leiden tot een situatie waarin er meer wordt uitgegeven dan er binnenkomt.

‘De regering-Eman heeft tijdens de wereldwijde crisis van 2008 die voor Aruba een krimp opleverde van het toerisme gekozen om niet te bezuinigen en meer te investeren. Daardoor is de staatsschuld in die jaren wel opgelopen. Maar het IMF heeft Aruba nog steeds niet afgewaardeerd.’

Volgens Timmer was die investering wel nodig, want er was veel achterstallig onderhoud in de infrastructuur. ‘Omdat veel projecten publiek-privaat georganiseerd waren, lopen ze ook nog wel door. Er is in ieder geval geen stijgende werkloosheid. En omdat Amerika na de crisis zijn zaakjes redelijk snel op orde had zie je op Aruba, dat voor het toerisme afhankelijk is van de Amerikaanse conjunctuur, ook een stabiele economische groei.’