De afgelopen jaren is er veel gediscussieerd over de manier waarop gemeenten het schaarse woningaanbod verdelen. Omdat de schaarste nog wel even voortduurt, moeten gemeenten zorgen voor ‘aanvullende vormen van huisvesting’ voor mensen die ‘niet langer kunnen wachten’. Dit zijn ook statushouders, aldus de minister.
Een gescheiden vader met drie kinderen in een zolderkamer, een student die nog altijd bij pa en ma woont of een statushouder die al drie jaar op een noodopvanglocatie verblijft. Gemeenten lopen steeds vaker tegen dezelfde grens aan: er zijn simpelweg te weinig woningen om tot een eerlijke verdeelsleutel te komen.
Daarom moeten gemeenten veel meer gaan inzetten op ‘aanvullende vormen van huisvesting’, die snel te realiseren zijn en een startpunt vormen op de woningmarkt, schrijft minister Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in een brief aan de Tweede Kamer. Denk aan onder meer transformatie, woningdelen, doorstroomlocaties, modulaire woningen, verplaatsbare woningen of onzelfstandige woonruimten, afhankelijk van de mogelijkheden per gemeente.
Deze woningen moeten bovendien beschikbaar zijn voor een brede groep woningzoekenden: starters, mensen die acuut een woning nodig hebben, maar dus ook statushouders en in de toekomst Oekraïense vluchtelingen. Vooral over deze laatste doelgroep is veel discussie in de politiek en maatschappij. De keuze voor een brede doelgroep zou deze discussie moeten luwen, denken politici. ‘Uitgangspunt is dat aanvullende vormen van huisvesting ruimte bieden aan woningzoekenden voor wie een tijdelijke, flexibele of gedeelde woonvorm passend is, zo staat in een nieuwsbericht van de overheid.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) schreef het vorig jaar al. We moeten nooit het langere termijnplan om meer woningen te bouwen uit het oog verliezen, maar in de tussentijd kunnen we inzetten op tijdelijke oplossingen, schreef het in het rapport Van asiel tot integratie: zo kan het wel, dat in november 2025 gepubliceerd werd.
Het gaat niet om een vast gedefinieerd woningtype, maar om een kwalitatief goede woonoplossing voor mensen die nu tussen wal en schip vallen door het woningtekort, dat voorlopig niet volledig kan worden ingelopen, schrijft de VNG. ‘Daarbij is nadrukkelijk de insteek dat dit ook voor andere groepen die met spoed woonruimte nodig hebben wordt ingezet en een deel van de woningen wordt gebruikt voor statushouders’, aldus het advies, waar 98 procent van de gemeenten mee in stemden.
Er is een continu spanningsveld bij gemeenten. Ze staan echt met hun rug tegen de muur
Thomas Zwiers stond aan de wieg van het rapport. Hij is programmamanager Asiel en Migratie bij de VNG. Je kunt de huisvesting van statushouders niet los zien van die van andere aandachtsgroepen, vindt hij. ‘Dan doe je geen recht aan wat er in de samenleving gebeurt. Er is een continu spanningsveld bij gemeenten. Ze staan echt met hun rug tegen de muur. Ik ben ook wethouder geweest. Uit ervaring weet ik dat je te maken krijgt met hele schrijnende gevallen. Dan moet je kiezen, maar je hebt eigenlijk gewoon te weinig woningen om te verdelen. Je kunt de koek lastig verdelen als de koek gewoon te klein is.’
Versnellen en opschalen
De Kamerbrief is een eerste aanzet. Het Rijk, de VNG, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en Aedes moeten samen gaan werken om snel en meer aanvullende vormen van huisvesting te realiseren. Daarover vinden momenteel intensieve gesprekken plaats met de achterbannen van deze organisaties, laat VNG weten. De uitkomt van deze onderhandelingen staat nog niet vast.
Toch roept de minister gemeenten met een achterstand in de huisvesting van statushouders op om alvast aan de slag te gaan. ‘Met de juiste middelen kunnen zij die achterstand in anderhalf jaar wegwerken’, zo schrijft het Rijk in een nieuwsbericht op de eigen website. Daarbij noemt het tevens de ambitie om 20 procent van de opgeleverde woningen aan statushouders te doen toekomen.
Dit voegt zeker wat toe, denkt Zwiers. ‘Iedereen die zo’n woning krijgt, waaronder ook statushouders, doet op dat moment geen beroep op een andere woning in de sociale huurvoorraad. Bovendien gaat nu heel veel geld naar noodopvanglocaties voor statushouders. Dat is echt zonde. We moeten dit geld anders durven te besteden.’
Voorlopers
Het is niet dat dit nog niet gebeurt, maar het gebeurt nog te weinig. Toch kiezen steeds meer gemeenten voor alternatieve bouwprojecten voor een brede doelgroep. Zo werkt de gemeente Nieuwegein momenteel aan een plan om samen met de woningcorporatie 44 flexwoningen te bouwen op een terrein dat pas in de nabije toekomst een permanente bestemming krijgt. Een derde van deze woningen is bedoeld voor jongeren die nu noodgedwongen bij hun ouders wonen, een derde voor statushouders en een derde voor reguliere woningzoekenden.
In Amsterdam zijn al sinds 2015 gedeelde wooncomplexen, waar jongeren en statushouders niet alleen naast elkaar wonen, maar ook met elkaar. Ze delen gemeenschappelijke ruimtes, koken en eten samen of helpen nieuwkomers integreren in hun nieuwe stad. Vanuit hier groeien studenten en statushouders door naar een meer permanente vorm van huisvesting.
‘Zo’n gemengde woonvorm vraagt wel om goede begeleiding en sociaal beheer’
Dit gaat ook weleens mis. In Stek Oost, een gedeeld woonproject in Amsterdam, werd een voormalig bewoner voormalige bewoner veroordeeld voor twee verkrachtingen van buurvrouwen. Bovendien was er sprake van overlast en voelden niet alle bewoners zich even veilig.
Zo’n gemengde woonvorm vraagt wel om goede begeleiding en sociaal beheer, zeker wanneer verschillende groepen gebruik maken van gezamenlijke ruimtes, merkt Zwiers op. ‘Sociaal beheer zijn activiteiten waarmee een gemeente en woningcorporatie, eventueel in samenwerking met een maatschappelijke organisatie, ervoor zorgen dat bewoners prettig en veilig kunnen samenleven en eventuele problemen vroegtijdig worden gesignaleerd en opgelost.’
Dit herkent Paco Kuit, een 27-jarige Amsterdammer die zes jaar woonde in een Amsterdams woonproject waar Nederlandse jongeren en statushouders samen een gebouw deelden. Hij leerde er zijn beste vriend kennen – een Syriër die op dat moment net in Nederland was. Volgens hem ontstond de onderlinge band niet vanzelf, maar doordat bewoners een keuken deelden en elkaar dagelijks tegenkwamen. ‘Die kleine duw heeft iedereen nodig om kennis te maken met een vreemde’, vertelt hij. ‘Als iedereen alleen een eigen studio heeft, is de drempel veel groter.’
Paco is nog altijd positief over het woonproject, maar hij ziet ook ruimte voor verbetering. ‘Sommige bewoners kampten met psychische problemen of trauma’s waardoor samenwonen lastig kon zijn.’Volgens hem kan een woningcorporatie zulke situaties niet alleen oplossen. ‘Een sterke gemeenschap helpt veel, maar niet alles. Soms is professionele begeleiding of een zorgtraject gewoon nodig.’
Meer nodig dan financiële ondersteuning
Hoeveel er vanuit het Rijk beschikbaar komt voor de bouw van flexibele woningen blijkt niet uit de brief. De minister heeft het over ‘een extra impuls’. Gemeenten konden tot voor kort aanspraak maken op een vergoeding van 85,60 euro per dag per gehuisveste statushouder, maar die regeling loopt af. Daarvoor in de plaats zijn inmiddels andere vergoedingsregelingen ingevoerd voor tijdelijke huisvesting en doorstroomlocaties. Deze vergoedingen vallen een stuk lager uit.
‘Financiële ondersteuning is belangrijk, maar alleen daarmee gaan we het niet redden’
Volgens Zwiers is er veel meer inzet van het Rijk nodig. ‘Financiële ondersteuning is belangrijk, maar alleen daarmee gaan we het niet redden.’ Gemeenten hebben volgens hem ook behoefte aan kennis, uitvoeringscapaciteit, ondersteuning bij locaties, planologische procedures en het wegnemen van praktische belemmeringen, zoals netcongestie en de zoektocht naar geschikte locaties. Als gemeenten werkelijk sneller willen bouwen, moeten juist die belemmeringen worden weggenomen, aldus Zwiers.
Kijk naar wat iemand kan
Los van de bestuurlijke afspraken over aanvullende vormen van huisvesting is het belangrijk om ook te blijven kijken naar een betere aansluiting tussen huisvesting, participatie en arbeidsmarkt, merkt de VNG op. In het rapport Van asiel tot integratie: zo kan het wel gaat een aanzienlijk deel over de koppeling van huisvesting met werkgelegenheid.
Om ervoor te zorgen dat mensen na plaatsing in een bepaalde gemeente aan de slag kunnen en iets gaan bijdragen aan de maatschappij, moet deze plaatsing zijn afgestemd met de kennis en kunde van die persoon, zegt Zwiers. Iemand die ervaring heeft in metaalbewerking moet je eigenlijk niet plaatsen in een gemeente als Utrecht.
‘Als je al in Ter Apel kijkt naar wat iemand kan, en die persoon ook direct plaatst in de gemeente waar hij waarschijnlijk status zal houden, is de kans veel groter dat hij zich gaat ontwikkelen en de samenleving de meerwaarde van die persoon ervaart. Ik geloof echt dat dit zorgt voor draagvlak in de samenleving.’
Wel of geen voorrang
Maatschappelijk draagvlak voor de huisvesting van statushouders is de afgelopen jaren een uitdaging gebleken. Vorig jaar laaide de discussie op over de voorrang die statushouders zouden krijgen op andere woningzoekenden. Toenmalig minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Mona Keijzer stelde voor om gemeenten te verbieden voorrang te verlenen aan statushouders.
Dit bleek niet mogelijk, gemeenten hebben immers een taakstelling om een minimaal aantal statushouders te huisvesten per half jaar. Het kabinet besloot de discussie in de ijskast te zetten. Eerst meer woningen, daarna kon gepraat worden over de voorrangskwestie.
‘We moeten stoppen met de vraag wie er meer recht heeft op een woning’
De discussie over het wel of niet verlenen van voorrang is eigenlijk een non-discussie, vindt Zwiers. ‘Het suggereert dat gemeenten daartoe nu verplicht zijn. Dat is niet het geval.’ Sinds 2017 bepalen gemeenten zelf of zij statushouders als urgentiecategorie opnemen in hun huisvestingsbeleid. ‘Gemeenten hebben de mogelijkheid om maatwerk te bieden en te zorgen voor een betere doorstroom in de azc’s’, legt hij uit. ‘Dat wordt door andere woningzoekenden soms als ontzettend oneerlijk ervaren, terwijl ook zij gigantisch met de vingers tussen de deur zitten.’
Volgens Zwiers moeten gemeenten daarom af van het denken in afzonderlijke doelgroepen. ‘We moeten stoppen met de vraag wie er meer recht heeft op een woning. De vraag moet zijn hoe we ervoor zorgen dat er meer woningen komen voor iedereen die daarop wacht. Dan ontstaat er ook meer draagvlak.’




