De lome zomerwarmte is neergedaald op het Arnhemse landgoed Bronbeek. Twee bronzen KNIL-soldaten met het geweer in de aanslag houden de wacht voor het hoofdgebouw. Ze geven geen sjoege als ik hen passeer zonder te groeten. De honingkleurige gevel, met zijn ritmisch geplaatste rondboogvensters en rijke kroonlijst, torent boven de bamboehaag uit. Op het terras naast de ingang drinken bejaarde bewoners een kop koffie in de schaduw. Ze zijn oud, maar niet zó oud dat ze nog gediend kunnen hebben bij het KNIL.
Het hoofdgebouw is tegenwoordig een museum. Hier vertelt Nederland het verhaal van Nederlands-Indië, de koloniale periode, inclusief de Japanse bezetting en de strijd om zelfstandigheid. Koning Willem III schonk dit paleis halverwege de negentiende eeuw aan de staat om er een koloniaal militair invalidenhuis van te maken. Dat is het tot op de dag van vandaag deels nog. Daar zit meteen de contradictie van deze publieke instelling. Ze ontstond midden in de koloniale tijd als eerbetoon aan de militairen die het Nederlandse koloniale gezag dienden. Inderdaad leken we hun veel dank verschuldigd. Specerijen en andere lucratieve handelswaar bezorgden Amsterdam en de rest van het land na 1600 een ‘gouden’ eeuw. Of eigenlijk: eeuwen. Onze welvaart is gebouwd op de rijkdom van de koloniën. Dat Indonesië op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid had uitgeroepen, kwam ons slecht uit. In 1949 erkende Nederland, na jaren van bloedige oorlog en met tegenzin, de ‘merdeka’. Pas de afgelopen jaren maakten regering en koning excuses – ruim zestig jaar na dato – voor de wrede oorlog die we destijds eufemistisch ‘politionele acties’ noemden.
Wie in Bronbeek een expositie verwacht waarin ons land nederig op de knieën gaat
voor het wapengekletter, komt bedrogen uit. De kanonnen, geweren en ander wapentuig glimmen je tegemoet. De voorwerpen en beelden in het museum en de tuin getuigen van dankbaarheid voor en schatplichtigheid aan de militairen die hun leven in de waagschaal zetten om de Indiërs te onderdrukken. De geweren en pistolen waarmee het koloniale gezag werd afgedwongen, liggen in vitrines alsof het Rembrandts zijn.
Steeds is voelbaar dat we de schuldbekentenis willen verzachten tegenover de koloniale nazaten
Met de overdaad aan wapentuig vertelt het museum al te opzichtig het verhaal van
de onderdrukker. Bronbeek is daardoor onvergelijkbaar met bijvoorbeeld het Surinamemuseum in Amsterdam, dat de West-Indische cultuur centraal stelt. Het zal niet als voorbeeld dienen voor het toekomstige Slavernijmuseum dat ook in Amsterdam zal komen. Ik durf het bijna niet op te schrijven, maar de sfeervol verlichte, schemerige ruimtes in Bronbeek ademen Bandoengse nostalgie.
Museum Bronbeek draagt een dubbele boodschap uit. Dat Nederland zich schuldig maakte aan vele zaken wordt heus niet onder stoelen of banken gestoken. De Indonesische vrijheidsstrijd krijgt veel aandacht. Maar steeds is voelbaar dat we de schuldbekentenis willen verzachten tegenover de koloniale nazaten. Zo zien we in de achtertuin zomaar een ereplaquette met overleden KNIL-soldaten – ‘den vaderlandt ghetrouwe’. Het illustreert de rare spagaat waarin Bronbeek een half boetekleed aantrekt.
In het restaurant Kumpulan kun je heerlijk Indisch eten. Maar de koloniale onderdrukking laat weinig ruimte voor romantisering en esthetiek. Met het creëren van een knusse kampongsfeer en het op het museumterrein vereren van KNIL-soldaten betreedt het museum een grijs gebied. Wat in Arnhem wringt, is dat het een trots overblijfsel is en blijft van ons koloniale verleden. Doe dat maar achter gesloten hekken. Zolang Bronbeek tegelijk veteranentehuis, herdenkingsplaats en museum wil zijn, zal die koloniale spagaat blijven bestaan.
Wat ons land nodig heeft, is een museum dat het verhaal vertelt zonder veel kanonnen en pistolen. Best een gruwelijk verhaal over misdaden tegen de menselijkheid. Soldaten die we martelden, koelies die we misbruikten, talloze executies, extreme roofzucht en economische ontwrichting van een Aziatische regio. Déze bezetting duurde geen vijf jaar, maar drieënhalve eeuw. Misschien is augustus niet alleen de maand waarin we de Indonesische onafhankelijkheid herdenken, maar ook het moment om vraagtekens te zetten bij de dubbelrol die Bronbeek speelt.


In de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog raakt het elfjarige zoontje van SS-Obersturmführer Karl Zehlendorf vermist bij het concentratiekamp waar zijn vader de scepter zwaait. Auteur Bert Natter won in mei de Libris Literatuur Prijs voor zijn roman Aan het einde van de oorlog. Het is een verhaal dat je meezuigt in de inktzwarte wereld van het kamp en laat zien wat er gebeurt als het kwaad de overhand krijgt. De roman is geschreven als een filmscript, waarin de verschillende personages beurtelings in korte scènes worden gevolgd. Die vorm pakt verrassend goed uit.





