We moeten het even over Duitsland hebben; je zou bijna vergeten dat het land nog bestaat.
Begin juli werd de Duitse regering onder leiding van Friedrich Merz, ooit een van de lievelingsvijanden van Angela Merkel, het eens over een 34-puntenplan dat de economische malaise, of vermeende malaise, zou moeten bestrijden. The New York Times vatte het pakket handzaam samen: versoepelde arbeidswetgeving, minder bureaucratie en regelgeving, een iets ander pensioenstelsel. De middenklasse zou er wat op vooruit moeten gaan.
Het ware doel van de regering-Merz, bestaande uit CDU/CSU (de christendemocraten) en SPD (de sociaaldemocraten), is de bijna onstuitbare opmars van de AfD te stuiten.
Op 6 september vinden verkiezingen plaats in de deelstaat Saksen-Anhalt. De AfD schommelt daar rond de 40 procent en zou, met dank aan de kiesdrempel van 5 procent, de absolute meerderheid kunnen halen. Dan is het daar gedaan met het cordon sanitaire, in Duitsland genaamd de Brandmauer, en misschien niet alleen daar.
De lijsttrekker van de AfD in Saksen-Anhalt, Ulrich Siegmund, die tot voor kort een bedrijf in ‘geurmarketing’ blijkt te hebben gehad, wil het rechtsextremisme vrolijk uitdragen, schrijft Nynke Verschuer in NRC. Niet gekweld, noch verontwaardigd. Dat achter de vrolijkheid hetzelfde bekende rechtsextremistische gedachtengoed schuilgaat, hoeft niemand te verbazen. Asielzoekers snel uitzetten, regenboogvlaggen verbieden, de publieke omroep afschaffen.
Ook als het gaat om de Bondsdag staat de AfD relatief eenzaam aan kop in de opiniepeilingen: 28 procent voor de AfD, gevolgd door rond de 22 procent voor CDU/CSU. Een absolute meerderheid zal er daar niet zo snel inzitten voor de AfD, maar de vraag blijft hoelang de Brandmauer zal standhouden. Het midden wordt uitgehold en waarschuwingen voor fascisme halen weinig uit. Zie het Rassemblement National (RN) van Marine Le Pen in Frankrijk. Zie overigens ook Trump.
Ook als het gaat om de Bondsdag staat de AfD relatief eenzaam aan kop in de opiniepeilingen
De vraag is of het 34-puntenplan van Merz het tij zal keren. The New York Times is sceptisch en ik ook. Om te beginnen vanwege de premisse dat extreemrechts groeit door economische malaise of economische angst. Geef de ontevreden burger meer zekerheid in zijn portemonnee en hij zal de middenpartijen weer in zijn hart sluiten.
Ik denk dat het onjuist is de aantrekkingskracht van extreemrechts te verklaren puur vanuit een materialistisch wereldbeeld dat bijna een marxistisch wereldbeeld genoemd zou kunnen worden. Goed, in Amerika geldt de frase ‘it’s the economy, stupid’, gemunt door een adviseur van Bill Clinton in 1992, James Carville. En het is best mogelijk dat Amerikanen, meer nog dan Europeanen, geobsedeerd zijn door pakweg de benzineprijs. Ook omdat het sociale stelsel nu eenmaal anders werkt in Amerika dan in Europa: wie in Amerika valt, kan snel en diep vallen.
Maar toch. Terug naar Duitsland. Zolang de herinnering aan de catastrofe van de Tweede Wereldoorlog nog levend was, kon het Duitse electoraat verleid worden met de spreuk ‘Keine Experimente’. Intussen is dat veranderd. Voor veel inwoners van de voormalige DDR en hun nakomelingen voelde de Duitse eenwording als een experiment, een teleurstellend experiment. Vrijheid en kapitalisme vallen tegen.
Hoewel de AfD allang geen Oost-Duits verschijnsel meer is, zie je in de verkiezingsresultaten en de opiniepeilingen nog altijd, ook in 2026, de grote verschillen tussen de voormalige DDR en het voormalige West-Duitsland. In het oosten is de AfD ongeveer twee keer zo groot als in het westen. Ook bijna veertig jaar na de eenwording zijn de wonden niet geheeld, de teleurstelling is reëel en die wordt kennelijk van generatie op generatie doorgegeven. De DDR wordt toch gemist, en me dunkt dat dat niet uitsluitend, of vermoedelijk zelfs nauwelijks, de DDR-economie is.
Daarnaast is de status quo niet zo aantrekkelijk meer. De belofte van het burgerlijke midden (zekerheid, stabiliteit, doorgaan op de vertrouwde weg) voelt als een loze belofte nu de wereld zelf slechts uit instabiliteit lijkt te bestaan en alles wat vertrouwd is omvalt of betonrot vertoont. De dreiging van oorlog en andere catastrofes neem je niet of nauwelijks weg met versoepelde arbeidswetgeving.
De aantrekkingskracht van extreemrechts is verder genoegzaam geanalyseerd: de behoefte aan een zondebok plus het superioriteitsgevoel dat veroorzaakt wordt door een zeer exclusief nationalisme (ik zeg het netjes).
Merz en de zijnen denken dat minder bureaucratie gaat helpen, dat de aantrekkingskracht van extreemrechts zal afnemen als de burgerlijke partijen kunnen laten zien dat ze kunnen regeren door op bescheiden wijze het leven van de burgers te verbeteren.
De onredelijkheid met redelijkheid bestrijden? Ik twijfel, al geloof ik ook niet dat je onredelijkheid per se met onredelijkheid moet bestrijden.
Maar in de aantrekkingskracht van extreemrechts, en dat kenmerkt extreemrechts in vrijwel elk land, zit juist een weerzin tegen de redelijkheid, een afkeer van de bereidheid tot compromis van het burgerlijke midden.
Men wil het circus, het spektakel. Hoe meer het burgerlijke midden zegt: ‘U flirt met de ondergang’, hoe aantrekkelijker die ondergang wordt.
Men vreest niet zozeer het gevaar, men wil het gevaar. Een heel specifiek gevaar.




