Home Samenleving ‘Hindostanen worden over het hoofd gezien’

‘Hindostanen worden over het hoofd gezien’

Een nieuw boek over Hindostaanse Surinamers schetst een helder beeld van een genegeerde bevolkingsgroep. Hindostanen ondervonden de gevolgen van de slavernij, maar in de geschiedenisboeken komen ze amper voor.

Jaswina Elahi maakt het regelmatig mee. De mensen die ze ontmoet, kunnen haar Hindostaans-Surinaamse afkomst niet plaatsen. ‘Ze weten niet dat er in Suriname ook Hindostanen wonen. En als ik dan uitleg dat mijn voorouders en vele andere Brits-Indiërs in de negentiende eeuw naar Suriname zijn gekomen om er te werken, begrijpen ze het nog niet. Je ziet er helemaal niet Surinaams uit, zeggen ze dan.’ Met een Surinaams uiterlijk bedoelen ze Afro-Surinaams, wil cultuurwetenschapper Elahi zeggen. Krulletjeshaar, vult Ruben Gowricharn, hoogleraar Hindostaanse diasporastudies aan de Vrije Universiteit, met een lach aan. ‘En dat hebben wij niet.’

In hun onlangs verschenen boek Ongezien Ongehoord. Hindostanen in de koloniale geschiedenis (Walburg Pers, 2023) betogen Elahi en Gowricharn dat er bij alle aandacht voor de koloniale tijd weinig interesse is voor de Hindostaanse contractarbeider. Op 5 juni was de viering en herdenking van de Hindostaanse migratie, dit jaar precies honderdvijftig jaar geleden. De belangstelling voor deze dag steekt schril af bij de aandacht die er is voor Keti Koti, de viering en herdenking van de slavernij op 1 juli. ‘We worden over het hoofd gezien en voelen ons niet erkend in wie we zijn’, zegt Elahi. ‘De interesse voor het koloniaal verleden beperkt zich tot het trans-Atlantisch slavernijverleden, terwijl het kolonialisme veel meer omvat.’

Laten we beginnen bij de geschiedenis. Hoe zijn de Hindostanen in Suriname terechtgekomen?

‘Hindostanen zijn in de negentiende eeuw geworven in het toenmalige Brits-Indië. De eerste arbeiders scheepten zich in 1873 in op het schip Lala Rookh’, zegt Gowricharn. ‘De slavernij werd afgeschaft in 1863 en de plantagehouders in Suriname waren op zoek naar nieuwe arbeidskrachten. De Hindostanen kregen het aanbod om op de plantages in Suriname te gaan werken. Na afloop van hun contract ging ruim een derde van hen terug naar India, de rest vestigde zich als boer op stukjes land vlakbij de plantages.’

Hoe waren de omstandigheden waarin de contractarbeiders leefden?

‘Ze hadden het niet veel beter dan de slaven’, vertelt Elahi. ‘Ze leefden onder vergelijkbare omstandigheden. Ze stonden vroeg op en werkten op het land als veldarbeider, of in de fabriek als arbeider, of in het huis van de planter. Hele families hadden een arbeidscontract, ook de vrouwen en kinderen. Als een contractarbeider de plantage wilde verlaten was een pas nodig. In theorie had je rechten, maar in werkelijkheid stelde het weinig voor. Planters waren vaak partij in een geschil, rechter en uitvoerder van de straffen. Ook gebeurde het regelmatig dat Hindostaanse arbeiders geld en sieraden bij de plantagehouder in bewaring gaven en die vervolgens nooit meer terugkregen.’

‘Suriname was creools en de creolen waren Suriname’

Gowricharn: ‘De planters waren gewend met slaven te werken. De Hindostaanse contractarbeiders werden gewoontegetrouw behandeld als slaven. Mensen werden mishandeld, gegeseld, opgesloten en in kromboeien gesloten.’ Er zijn een aantal opstanden geweest. Meestal was de aanleiding het misbruik van Hindostaanse vrouwen door de Nederlandse plantage-eigenaren, legt Gowricharn uit. ‘Dan werd een plantage-eigenaar gedood, of werd er brand gesticht. Vaak greep daarna het leger in, en zij schoten dan wat mensen dood. Daarna was, zoals ze dat noemden, de rust hersteld.’

Na afloop van de contractperiode vestigden veel Hindostanen zich als keuterboer op een klein lapje grond vlakbij de plantage. ‘Dat was het beleid van de Nederlandse regering’, zegt Gowricharn. ‘Ze wilden een reservoir aan arbeiders vlakbij de plantages, die met elkaar konden concurreren en dus voor een steeds lager loon wilden werken. Maar de plantages gingen failliet. De boeren zijn echter gebleven. Tegenwoordig wonen de Hindostanen verspreid door heel Suriname. Ze vormen de grootste etnische groep van het land.’

Jullie schrijven dat Hindostanen al decennialang het gevoel hebben dat ze als gemeenschap niet worden gezien. De aandacht beperkt zich tot de Afro-Surinamers. Hoe komt dat?

Elahi: ‘Er is preoccupatie met Afro-Surinaams. Dat is het standaardbeeld dat Nederlanders van de Surinamer hebben, en dat beeld is diep ingedaald in de wetenschap, politiek en in media.’

Gowricharn: ‘Er zijn sinds de Tweede Wereldoorlog talloze studies geweest naar Afro-Surinamers, naar creolen en marrons, de afstammelingen van weggelopen slaven die in stamverband in de binnenlanden leven. Slechts twee studies hadden betrekking op de Hindostaanse gemeenschap.’

Waarom is de preoccupatie er? Komt dat omdat ze afstammen van tot slaaf gemaakten?

Elahi: ‘Nee die eenzijdige gerichtheid op de Afro-Surinamer gaat ver terug en was er ook al in de koloniale tijd. Toen was er nog weinig wroeging over de slavernij. Er was hier geen grote abolitionistische beweging. Om eerlijk te zijn, we hebben er geen verklaring voor.’

Jaswina Elahi

Kan het er mee te maken hebben dat Nederland zo gericht is op Amerika? Voor veel Nederlanders was De hut van oom Tom de enige keer dat ze over slavernij hoorden. Leggen we misschien een soort Amerikaans sjabloon op de bevolking van Suriname?

Gowricharn: ‘Nee, de Amerikaanse Burgeroorlog leidde tot de afschaffing van de slavernij daar. Dat is in de Amerikaanse geschiedenis een marker. Maar in Nederland was Suriname lange tijd een blinde vlek. Suriname was creools en de creolen waren Suriname. Daarbij is het gebleven, nog steeds helaas.’

Waarom zegt u helaas?

Gowricharn: ‘Er zijn ook andere groepen die erkend willen worden als onderdeel van de Surinaamse geschiedenis en samenleving, zoals Chinezen, Javanen, Inheemsen en de Hindostanen.’

Hoe gaan Afro-Surinamers en Hindostanen in Suriname met elkaar om?

‘Er is minder menging dan in bijvoorbeeld Trinidad, waar ook Hindostanen en creolen een land bevolken. Maar in buurland Guyana bijvoorbeeld is de situatie zeer gepolariseerd en vijandig. In Suriname leven we vreedzaam samen vergeleken met deze buurlanden’, zegt Gowricharn.

Elahi: ‘Hindostanen en creolen hebben lange tijd relatief geïsoleerd van elkaar geleefd. Na de slavernij trokken de meeste voormalige slaven naar de stad. Hindostanen kwamen in de plaats van slaven op de plantages wonen. Daar zijn ze begonnen met het bouwen van eigen instituties: scholen, moskeeën en, tempels. Ze hebben hun eigen cultuur kunnen voortzetten. Pas vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw gingen de Hindostanen in grote aantallen richting stad. Er was altijd wel enige culturele menging. Dat zie je aan de kleding, de muziek, het eten.’

Hoe kijken jullie aan tegen de herdenking en viering van Keti Koti, die aanstaande is?

Elahi: ‘Ik vind Keti Koti echt een naam van hier. In Suriname is het een nationale feestdag en wordt het officieel de Dag van de Vrijheden genoemd. Dat maakt het ook inclusiever voor allerlei andere etnische groepen die leven en wonen in Suriname.’

Gowricharn. ‘Ik gun de creolen hier die dag, dat is het niet, het is goed dat er zoveel aandacht voor de slavernij is. Het gaat ons om iets anders. We verdwijnen, net als Javanen en Chinezen, uit de Surinaamse geschiedschrijving.  Wij bestaan niet omdat die hele koloniale geschiedenis wordt gereduceerd tot slavernij waar wij strikt genomen geen onderdeel van zijn. Maar eigenlijk zijn wij er wel slachtoffer van. Dat is de grote miskenning waarmee wij worstelen.’

Ruben Gowricharn

Elahi: ‘In de geschiedenisboekjes krijgt slavernij enige aandacht. Over de post-slavernij, de Hindostaanse contractarbeid, staat er bij wijze van spreken één zin. Soms wordt gezegd dat de Hindostaanse groep zelf minder goed de aandacht op zich weet te vestigen. Maar dat lijkt me anno 2023 geen overtuigende verklaring. We zijn namelijk overal zichtbaar, onze kinderen gaan naar school, we zijn aanwezig in het straatbeeld. We hebben posities.’

Jullie citeren een jonge vrouw. Zij zegt niet Indiaas genoeg voor India te zijn, niet Surinaams genoeg voor Suriname en niet Nederlands genoeg voor Nederland. Zelfs niet Surinaams genoeg voor Nederland. Hebben veel jonge mensen dit gevoel van ontheemding?

Elahi: ‘Ik denk het wel.’

Gowricharn: ‘We proberen hier een thuis te maken, maar we zijn nooit helemaal thuis. Om dat voor elkaar te krijgen moeten we geaccepteerd, gezien en gehoord worden. Pas op het moment dat je aanwezigheid vanzelfsprekend is, ben je thuis.’

Elahi: ‘Mijn dochter behoort tot de derde generatie Hindostanen in Nederland, maar ze moet voortdurend op school uitleggen wie ze is en waar ze vandaan komt. Hoe kan zij zich hier dan echt thuis voelen? We zouden willen dat de instituties – zoals de media, de wetenschap en de politiek – die de normaliteit van hun burgers bepalen, Hindostanen als gemeenschap gaan erkennen. Nederland is pluriform en Suriname is pluriform, we hebben verschillende bevolkingsgroepen in ons midden.’

Wat is de toekomst van Hindostanen in Nederland?

Elahi: ‘Ik denk dat een deel zal assimileren en vooral Hollands wordt. Net als de Indische Nederlanders. Op een gegeven moment zie je dan niet meer dat ze Hindostaans zijn. Een ander deel zal zich ook op India focussen, en misschien op de Indiase gemeenschap in Nederland. De band met Suriname wordt dunner, dat zie ik nu al bij de jongere generaties gebeuren. En bij een deel zullen alle drie de achtergronden een belangrijk onderdeel zijn van hun leven.’

Gowricharn: ‘Veel transnationale gemeenschappen behouden hun taal en cultuur. Turkse Nederlanders vormen een mooi voorbeeld daarvan. Dat is bij Hindostaanse Nederlanders minder aan het worden. Maar die ontwikkeling zie je ook bij andere Indiase gemeenschappen in het buitenland. En toch blijven ze als een wereldwijde diasporagemeenschap voortbestaan.’