De geschiedenis van Joods Rotterdam bleef lang onderbelicht. Marleen van den Berg onthult in haar boek hoe de gemeente handelde tegenover Joodse inwoners tijdens én na de oorlog, via drie indringende familiegeschiedenissen.
Over Joods Amsterdam is veel geschreven, maar niet over Joods Rotterdam. Naar aanleiding van een opdracht van de gemeente Rotterdam over haar houding ten aanzien van Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond het boek Joods Rotterdam, geschreven door Marleen van den Berg. Door de bijzondere aanpak is dit een verhelderend boek geworden, met nieuwe feiten en gezichtspunten.
1940-1955
Het vooronderzoek voor deze opdracht werd verzorgd door het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Toch bestond bij de gemeente de wens om dieper te graven, vooral omdat de geschiedenis van Joods Rotterdam onderbelicht is. Er werd een vacature uitgeschreven, en Marleen van den Berg, die geschiedenis studeerde aan de Universiteit Leiden, werd geselecteerd. Voor deze opdracht was zij verbonden aan het NIOD. Samen met Hinke Piersma schreef zij het gewenste onderzoeksrapport over het handelen van de gemeente Rotterdam ten opzichte van haar Joodse inwoners in de periode 1940–1955. Die periode is interessant, want de meeste onderzoeken lopen tot 1945. De lezer krijgt dus een bonus van tien jaar: vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel komen allemaal aan bod.

Drie families
De informatie in Joods Rotterdam is deels abstract, deels persoonlijk. Dat komt door de aanpak: drie Joodse Rotterdamse families met totaal verschillende achtergronden staan centraal. Hun brieven en soms een dagboek zijn geschonken aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork en aan Yad Vashem, The World Holocaust Remembrance Center in Jeruzalem.
‘De uitgekozen families hadden verschillende achtergronden: buitenlands, Nederlands, en er waren gezinsleden met een niet-Joodse partner. Want hoe doe je recht aan 10.000 Joodse inwoners met allerlei onderlinge verschillen? Die 10.000 mensen hadden vaak de Joodse godsdienst. Sommigen waren orthodox, anderen deden vrijwel niets aan het geloof.’
Wat opvalt aan het persoonlijke relaas van een van de families is dat het vroeger redelijk eenvoudig was om te trouwen met iemand uit het buitenland en die partner naar Nederland te laten komen. ‘Nederland kende amper immigratiewetten. Die kwamen pas nadat Hitler aan de macht was.’
Voor 1940 kende Nederland één religieuze richting, in tegenstelling tot andere Europese landen. De Oost-Joden, afkomstig uit Oost-Europa, waren zichtbaar Joods, bijvoorbeeld door hun orthodoxe uiterlijk. ‘Denk aan hun kleding en pijpenkrullen, wat hoort bij Chassidische Joden (zeer orthodoxe Joden, red.). Die uiterlijke herkenbaarheid werd beschouwd als een gevaar voor eenheid én als aanleiding tot angst voor toenemend antisemitisme. Die angst nam toe toen veel Duitse en – vanaf maart 1938 – Oostenrijkse Joden naar Nederland vluchtten.
Er was een groot verschil in aanpak tussen Amsterdam en Rotterdam. In beide steden heerste angst voor toename van antisemitisme door de komst van Joodse vluchtelingen. Economisch ging het slecht in Nederland, en er waren geen banen voor hen. Daarom besloot de Joodse gemeenschap hen te helpen, maar de geboden hulp verschilde. In beide steden kregen ze financiële steun. Alleen was de hulp in Amsterdam bedoeld om hen te laten blijven, terwijl Rotterdam hen aanmoedigde om de stad als doorgangshuis te beschouwen. De infrastructuur leende zich daar goed voor, vanwege de haven en de schepen die naar Engeland of Amerika voeren.’
Rotterdamse mentaliteit
Sommige Joodse mensen konden veilig vertrekken voordat de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen. Rotterdam kwam al snel in een andere situatie terecht door het grote bombardement, waarbij onder andere het centrum werd weggevaagd. Een van de gezinnen verloor hun woning. Een ander gezin had immigratieplannen die door de bezetting niet meer doorgingen.
‘Wat me opviel tijdens mijn onderzoek is dat Rotterdamse Joden de mentaliteit van de stad overnamen: aanpakken en vooruitkijken. De synagoge aan de Boompjes was weggebombardeerd, die aan de Gedempte Botersloot ernstig beschadigd. Tijdens de eerste vergadering van de Rotterdamse afdeling van de NIG, de Nederlands Israëlitische Gemeente, na de bezetting, werd eerst stilgestaan bij de Joden die waren omgekomen bij het bombardement of zelfmoord hadden gepleegd uit angst, zonder dit expliciet te benoemen. Vervolgens was het zaak om offertes te bemachtigen voor de herbouw van de synagoge. Ze zagen voor zichzelf een toekomst in Nederland, want ze waren Nederlandse staatsburgers. Dat gevoel werd bevestigd doordat de eerste anti-Joodse maatregelen buitenlandse Joden betroffen. Zij mochten zich niet meer in de kuststreek vestigen. Dat gebied werd later uitgebreid.’

Joodse school
Voor de oorlog waren er in Rotterdam geen Joodse scholen. Pogingen om er een op te richten mislukten door gebrek aan belangstelling. ‘In 1941 veranderde alles. De Duitse bezetters deden er alles aan om Joden uit het maatschappelijke leven te weren. Vanaf september 1941 mochten Joodse leerlingen niet meer naar reguliere scholen. De enige manier om onderwijs te krijgen was het oprichten van Joodse scholen, in samenwerking met docenten die eerder op last van de bezetter waren ontslagen, puur omdat ze Joods waren.’
‘Leerlingen die niet religieus waren, vonden het vaak maar niets’
Voor een van de familieleden had dit wrange gevolgen. ‘Ze woonde tegenover haar oude school, maar moest nu een eindje fietsen naar de Joodse school. Haar vorige school was beklad met antisemitische leuzen. Sommige leerlingen vonden het prettig om nu met andere Joodse kinderen op school te zitten en geen uitzondering meer te zijn, maar leerlingen die niet religieus waren vonden het vaak maar niets.’ Ook opvallend was dat de meeste Joodse ouders wilden niet dat hun kinderen op deze scholen godsdienstonderwijs kregen. Dat zagen ze als de verantwoordelijkheid voor de ouders.
Financieel uitgekleed
‘Ambtenaren moesten meegaan in de Duitse politiek. De Nederlandse overheid was bang, voor ontslag, maar ook voor ergere maatregelen. In oktober 1940 bepaalde de bezetter dat ambtenaren een ariërverklaring moesten hebben.’ (Een niet-Joodse verklaring, red.) De Hoge Raad greep niet in, maar ontsloeg wel haar Joodse voorzitter. Intussen was het financieel uitkleden van Joodse mensen in volle gang: banen werden afgenomen, bezittingen moesten worden gemeld, financiële tegoeden gestort op een speciale rekening bij de bank Lippmann, Rosenthal & Co in Amsterdam. Ook werd onroerend goed afgenomen.
Op één plek lukte dat niet: in een deel van Rotterdam. ‘Panden binnen de brandgrens, het gebombardeerde centrum, werden automatisch door de gemeente onteigend. Daar stond een schadevergoeding tegenover.’
De financiële ondergang van Nederlandse Joden verliep deels zo ‘voorspoedig’ dankzij Hans Fischböck, die speciaal voor deze operatie door Arthur Seyss-Inquart naar Nederland was gehaald. Seyss-Inquart was Rijkscommissaris van Nederland, Fischböck werd Generalcommissar für Finanz und Wirtschaft. Zijn ervaring met het afnemen van Joodse bezittingen in het buitenland kon hij hier toepassen. Op zijn komst hadden veel Nederlandse Joden niet gerekend.
Op dezelfde manier behandelen
De verschrikkingen van de concentratiekampen komen in dit boek niet expliciet aan bod. Door het volgen van de drie families merk je als lezer wel hoeveel mensen niet terugkeerden. Ook het ‘leeghalen’ van een Joods ziekenhuis, weeshuis en bejaardentehuis op één dag wordt genoemd.
‘U wordt door niemand verwacht’
Omdat zulke wantoestanden bekend zijn, ligt de nadruk op wat er ná de oorlog gebeurde. Repatrianten, inclusief mensen die uit het buitenland terugkwamen of verplicht in Duitsland hadden gewerkt, moesten worden opgevangen. De regering had bepaald dat iedereen op dezelfde manier behandeld zou worden. Volgens Van den Berg was dat een cruciale fout. ‘Joodse mensen hadden heel andere behoeften. Daarnaast hadden niet-Joodse Nederlanders ook geleden onder de bezetting en het gebrek aan alles. Ze waren emotioneel en lichamelijk niet in staat om anderen op te vangen. Daardoor ging er veel mis. ‘U wordt door niemand verwacht’, kreeg een Joodse man te horen van een ambtenaar, toen hij uit een kamp terugkeerde.’
Fransen
In Frankrijk, dat al maanden bevrijd was toen Joden terugkeerden, verliep alles heel anders. Ook omdat de Fransen de tijd hadden gehad om enigszins bij te komen van alle ellende. Dat aspect is nooit eerder intensief onderzocht. In het deel over 1945–1955 komt goed naar voren hoe lastig het vaak was voor Joodse mensen om hun bezit of woning terug te krijgen. Bij koophuizen verliep dat eenvoudiger dan bij huurhuizen. Mede door het bombardement woonden daar vaak al andere Rotterdammers, soms NSB’ers, soms mensen zonder onderdak. Of in panden die op instorten stonden.
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

