In Vrouwen in duistere tijden, kanshebber op de Socratesbeker, schetst Alicja Gescinska tien bijzondere denkers. Hun ideeën zijn verrassend actueel.
Vanavond is het spannend voor filosofieliefhebbers. In Amsterdam wordt de Socratesbeker uitgereikt, dé prijs voor het meest prikkelende filosofieboek van het jaar. Een van de grote kanshebbers is Vrouwen in duistere tijden van Alicja Gescinska, een filosofe met Pools-Belgische roots. In dit lijvige boek volgt ze het leven en denken van tien bijzondere vrouwen, met in de bijlagen ook nog een paar mannen.
Wat deze vrouwelijke denkers met elkaar verbindt, is dat ze gevormd zijn door de ellende van de vorige eeuw. Ze komen vooral uit wat je de grensregio van Midden- en Oost-Europa kunt noemen: een gebied waarin Polen, Litouwen, Oekraïne, Duitsland en Rusland in elkaar overlopen. Vrijwel allemaal moesten ze hun land of thuis verlaten. Die achtergrond is ook Gescinska niet vreemd: als klein meisje verhuisde ze met haar ouders van Warschau naar een dorp in België.
Verschuivende grenzen
Veel van de vrouwen in haar boek leefden in een streek waar grenzen voortdurend verschoven. Gescinska beschrijft hoe na de Eerste Wereldoorlog Polen en Litouwen weer zelfstandige landen werden, maar de rust niet terugkeerde. De strijd om Vilnius bleef voortduren, en de stad werd uiteindelijk Pools. In de Tweede Wereldoorlog liep de spanning verder op: Polen werd eerst binnengevallen door nazi-Duitsland en daarna door de Sovjet-Unie.
‘Haat, angst en afkeer jegens bepaalde mensen verspreiden zich het beste in grote groepen’
Door die opeenvolgende machtswisselingen bleef het onrustig. Er was niet alleen druk van buitenaf, maar ook strijd tussen Polen en Litouwers zelf. Sommige Litouwers zagen nazi-Duitsland als een bevrijder en keerden zich tegen de Poolse elite, terwijl anderen juist de Sovjets steunden. Poolse groepen probeerden hun positie te behouden en vochten tegen meerdere partijen tegelijk. In de jaren dertig nam bovendien het antisemitisme toe. Tegelijkertijd was het een regio met een rijke, gedeelde cultuur: steden als Vilnius vormden een smeltkroes van Polen, Litouwers, Joden en Russen.
Rosa Luxemburg
Tegen die achtergrond schetst Gescinska het leven en werk van verschillende denkers. Een van de bekendste is Rosa Luxemburg, geboren in 1871 in Zamość, toen onderdeel van het Russische rijk. Polen bestond niet als zelfstandige staat, maar was verdeeld tussen Rusland, Pruisen en Oostenrijk-Hongarije. Voor veel Polen was het behoud van taal en cultuur essentieel. Luxemburgs familie zag zichzelf in de eerste plaats als Pools, daarna als Joods, en zeker niet als onderdanen van de tsaar. Later zou Hannah Arendt haar familie omschrijven als in wezen Europees — iets wat ook geldt voor de andere denkers in het boek, al leven ze in een wereld die voor veel West-Europeanen minder vertrouwd is.
Luxemburg kwam uiteindelijk in Duitsland terecht, waar ze uitgroeide tot een belangrijke socialistische denker. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verzette ze zich fel tegen de oorlog. Samen met Karl Liebknecht richtte ze de Spartakusbond op, waarmee ze een revolutie wilde ontketenen. In 1919 werd ze opgepakt, vermoord en in het Landwehrkanaal in Berlijn gegooid.
Emotionele Ansteckung
Een andere indrukwekkende figuur is Edith Stein, voor wie empathie volgens Gescinska centraal stond. Ze werd geboren als Joodse vrouw in Breslau, bekeerde zich later tot het katholicisme en trad in 1933 toe tot de karmelietenorde. Samen met haar zus Rosa vluchtte ze naar een klooster in Echt om aan de nazi’s te ontsnappen, maar haar bekering bood geen bescherming: ze werd opgepakt en vermoord in Auschwitz. Stein maakte onderscheid tussen emotionele Ansteckung — het overnemen van gevoelens in een groep — en empathie, die juist ontstaat in persoonlijk contact. Gescinska schrijft: ‘Haat, angst en afkeer jegens bepaalde mensen verspreiden zich het beste in grote groepen. Liefde, vertrouwen en begrip daarentegen verspreiden zich in persoonlijke relaties van mens tot mens.’

Ook de dichteres Anna Achmatova komt aan bod in Vrouwen in duistere tijden. Ze werd in 1889 geboren in een adellijke familie in Odessa en woonde in Sint-Petersburg tijdens de Russische Revolutie. Haar leven werd getekend door verlies en onderdrukking: haar eerste man werd geëxecuteerd, ze mocht jarenlang niet publiceren, vrienden werden vervolgd en gedood en haar zoon Lev werd naar kampen gedeporteerd. In haar gedicht Requiem beschrijft ze hoe ze maandenlang in de rij stond, in de hoop iets over hem te horen. Volgens Gescinska staat bij Achmatova vriendschap centraal: ze probeert de band met gestorven vrienden levend te houden en laat zien dat een totalitair regime wel mensen kan doden, maar geen vriendschap.
Barbara Skarga
In haar voorwoord schrijft Gescinska dat ze zelf het meest geraakt is door Barbara Skarga, volgens haar de belangrijkste Poolse filosofe van de afgelopen honderd jaar — niet alleen vanwege haar werk, maar ook vanwege haar levensverhaal. Skarga werd in 1919 in Warschau geboren en kwam uit een verarmde Poolse adellijke familie met wortels in Litouwen. Na de beurskrach van 1929 overleed haar vader en verhuisde het gezin naar Litouwen.
‘Er is te veel kwaadaardigheid en wij leveren ons over aan de afstomping ervoor’
Daar maakte ze een ingrijpende gebeurtenis mee. Op het landgoed van haar familie, aan een rivier met aan de overkant de Sovjet-Unie, verscheen op een dag een gevluchte jongen die smeekte om te mogen blijven. Hij vertelde dat zijn dorp en familie door de Sovjets waren vermoord of weggevoerd. Toen in 1939 soldaten het gebied binnentrokken, schoten ze hem meteen dood.
In 1944 werd Skarga opgepakt door de Sovjets, verdacht van betrokkenheid bij Armia Krajowa, het Poolse verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze werd gevangengezet en naar verschillende goelags, dwangarbeiderskampen, gestuurd. Ook na haar vrijlating in 1954 was ze nog niet echt vrij: ze bleef onder toezicht en moest werken op een kolchoz, een collectieve boerderij. Daar las ze filosofen als Marx, Engels en Spinoza. Wat haar het meest trof aan het communisme was de onverschilligheid tegenover menselijk lijden — iets wat ze ook in de kampen zag ontstaan, waar gevangenen afstompten. ‘Er is te veel kwaadaardigheid en wij leveren ons over aan de afstomping ervoor’, schrijft Skarga over haar tijd in de goelags.

In het nawoord van Vrouwen in duistere tijden legt Gescinska de onvermijdelijke link met het heden. Ze wijst op de Oeigoeren in ‘hervormingskampen’, een Rusland dat is afgezakt tot een dictatuur en Oekraïne aanvalt, en de ‘vernietigende vergeldingsdrang’ van Israël tegen honderdduizenden Palestijnse mannen, vrouwen en kinderen na de pogrom op 7 oktober. Het is, zegt ze, ‘een kleine greep uit het kwaad dat de mens zijn medemens overal ter wereld aandoet’. Volgens haar is het onjuist om geen vergelijkingen te maken tussen toen en nu: ‘De mens leeft niet in een historisch vacuüm.’
Gescinska schrijft dat ze zich machteloos voelt als ze kijkt naar het geweld van nu, maar benadrukt tegelijk dat het ertoe doet hoe je leeft en hoe je reageert op wat er om je heen gebeurt. Dat heeft ze geleerd van de filosofen over wie ze schrijft. Die gedachte, samen met de zorgvuldige manier waarop ze deze vrouwelijke denkers beschrijft, staat vast niet los van haar plek op de longlist van de Socratesbeker 2026.
Vrouwen in duistere tijden, Alicja Gescinska, De Bezige Bij, 430 blz., € 29,99
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

