De gemeente Utrecht wil, twee jaar na de gewelddadige confrontaties tussen groepen Eritreeërs in Den Haag, maatregelen nemen tegen de zogenoemde ‘lange arm van Eritrea’. Volgens de gemeente moeten de rellen niet alleen worden gezien als een openbare ordeprobleem, maar ook als een direct gevolg van buitenlandse inmenging. Dat meldt Binnenlands Bestuur.
Op 17 februari 2024 ging het goed mis aan de Fruitweg in Den Haag, bij de Opera-zalen, waar vaak trouwfeesten worden gehouden. Honderden tegenstanders van het regime in Eritrea belagen een feestje dat door regime-gezinde Eritreeërs werd georganiseerd. Een politiewagen en touringcar worden in brand gestoken, maar ook politie en journalisten worden belaagd.
Michel Kok, veiligheidsadviseur van de Utrechtse burgemeester Sharon Dijksma, legt de schuld echter eenzijdig neer bij groepen die zich verwant voelen met het Eritrese regime. ‘We hebben het hier echt over de lange arm van Eritrea, over ongewenste buitenlandse inmenging. We hebben als overheid deze mensen onvoldoende beschermd’, zegt hij tegen Binnenlands Bestuur.
Aangezien veel van de betrokkenen in Utrecht verblijven, besluit de gemeente Utrecht om in gesprek te gaan met Eritreeërs, en dan specifiek met tegenstanders van het regime. ‘Tien tot vijftien Eritreeërs uit heel Nederland komen sinds november samen in een zaaltje ergens in de stad. De locatie blijft uit veiligheidsoverwegingen geheim’, meldt Binnenlands Bestuur.
Het doel van deze gesprekken is om te voorkomen dat het niet opnieuw tot geweldsuitbarstingen komt. Tegenstanders van het regime zouden ‘weerbaarder’ moeten zijn en begrijpen hoe Nederland ‘werkt’ met gesprekken over democratie, rechtsstaat en weerbaarheid.


