In Jemen is de burgeroorlog weer terug van nooit weggeweest. Deze week eiste het conflict beduidend meer slachtoffers dan in de afgelopen jaren. Het is de dodelijkste escalatie sinds 2022, met bijna 300 doden. De verslechterende internationale context lijkt hier debet aan, zo meldt de Volkskrant.
Jemen staat al langer op het menu van regionale machten zoals Saoedi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Iran, maar ook van een wereldmacht als de Verenigde Staten. Al deze partijen steunen verschillende groepen in de strijd om de macht in Jemen. De sji’itische Houthi-rebellen worden gesteund door Iran, terwijl de internationaal erkende soennitische regering wordt gesteund door Saoedi-Arabië en het Westen.
Het oplaaiende geweld concentreert zich vooral aan de strategische westkust van Jemen. Niet lang geleden opende Iran daar een tweede front tegen het internationale vrachtverkeer, om zo de Amerikanen te tarten.
Als de Houthi’s de havenstad Mokka in handen krijgen versterken de Iraanse ayatollahs hun strijd om de vitale handelsroutes op zee. ‘In het verleden beschoten de Houthi’s internationale vrachtschepen vanuit stellingen op 90 à 150 kilometer afstand met drones en ballistische raketten; het doel is nu om dichterbij te komen, zodat men hetzelfde kan bereiken met eenvoudige, goedkopere raketten’, schrijft de Volkskrant.
De burgeroorlog in Jemen is sinds 2015 aan de gang. Volgens schattingen van de Verenigde Naties zijn er inmiddels meer dan 230.000 mensen om het leven gekomen, waaronder veel vrouwen en kinderen. Een deel is gestorven vanwege het oorlogsgeweld, anderen door honger en ziekte.


