Alarm! Salafisten in het stadhuis!

Foto: Reuters

Toen de Telegraaf mij belde om commentaar op de reportage van de krant dat ‘salafisten infiltreerden in het Rotterdamse stadhuis’ wist ik uit ervaring dat mijn woorden ingebed zouden kunnen worden in een schreeuwerig stuk dat moord en brand schreeuwde. Het eerste stuk dat over de kwestie ging stond hoe dan ook bepaald niet op de achterpagina en de kritiek op de Telegraaf was dat ze geen wederhoor had gepleegd. De experts in radicalisering op het Rotterdamse stadhuis, een man en een vrouw, zouden niet benaderd zijn om hun verhaal te doen. Nikki Sterkenburg, journaliste bij Elsevier, nam de gelegenheid te baat om onder andere via Twitter te vertellen dat toen zij indertijd onderzoek deed naar een vergelijkbare kwestie in het Amsterdamse stadhuis, zij zich liet verleiden tot het geloven dat de duivel zelf zich genesteld had in de Amsterdamse burelen (mijn woorden). Het bleek allemaal veel genuanceerder te liggen dan ze eerder veronderstelde. Ik vond haar mea culpa mooi, maar er zat een rafelrandje aan, waarom er pas mee voor de dag komen nu de ‘kwestie Rotterdam’ zich aandient en niet eerder? Of kwam ze nu pas tot het besef? Enfin, het is hoe dan ook mooi dat iemand in het toch al zo gepolariseerde debat publiekelijk verklaart verkeerd te hebben gezeten. Daar kan menig journalist een les van leren.

Ik schets dit allemaal omdat ook mijn commentaar stevig gefileerd werd op internet. Wat had ik nu te zeggen over twee mensen die ik nog nooit had gesproken? En hoe zat het met mijn bronnen op het stadhuis? Toch wist ik deze kritiek te pareren, omdat de Telegraaf journalist Silvan Schoonhoven mij niet vroeg naar de specifieke twee medewerkers van de gemeente Rotterdam, maar in zijn algemeenheid naar de wenselijkheid van mensen zoals adviseurs op een gevoelig thema zoals radicalisering binnen de moslimgemeenschap, die zelf orthodoxe of zelfs salafistische standpunten hebben. Ik ging wat mij betreft in op de theoretische vraag wetend dat velen dat niet als zodanig zouden percipiëren. En ik kwam tot hetzelfde standpunt als toen ik vorig jaar bij een uitzending van Nieuwsuur werd geïnterviewd over het ‘herbronnen’ van jonge moslims die het ware geloof zochten in een tamelijk rigide vorm van islam. Ik beargumenteerde toen dat dat allemaal kon in de samenleving, maar dat ik er niet bij stond te juichen en ook dat ik vond dat universiteiten (als de Vrije Universiteit) dit soort bewegingen niet moesten faciliteren met zalen of gebedsruimtes. Ik vind hoe dan ook dat religie zoveel als maar mogelijk is niet aanwezig zou moeten zijn in de publieke ruimte of in instellingen die door de overheid worden gefinancierd waarbij ik me ook realiseer dat dat erg lastig is gezien artikel drieëntwintig van de Grondwet dat de financiering van bijzonder onderwijs faciliteert. Ik zou hoe dan ook, ook voor het afschaffen van het gebed zijn waar promoties in mijn Tilburgse universiteit mee beginnen en eindigen en dat geldt ook voor de halalhoek in de mensa van dezelfde universiteit.

Het grootste bezwaar dat ik had op de mogelijke aanwezigheid van orthodoxe gelovigen, in dit geval moslims, in overheidsgremia is dat ze doorgaans een wat mij betreft zeer orthodox gedachtegoed met zich meebrengen over bijvoorbeeld de positie van de vrouw, homoseksualiteit en de democratie, dat nogal contrasteert met mainstream Nederlandse waarden. Consequent als ik probeer te zijn in de opvatting dat religie toch vooral achter de voordeur moet worden beleefd, ben ik er niet voor om dit soort mensen te rekruteren. Ik besef wel dat ik hier in de buurt kom van het schenden van het gelijkheidsbeginsel van artikel één van de Grondwet en het is om die reden dan ook dat ik deze mening als voorkeur uit en niet als regel. Mijn wens is politiek van aard en niets houdt mij tegen die te uiten, wetend dat de Grondwet de beleving van religie (artikel zes) garandeert, overigens zonder dat dat tot wanordelijkheden leidt (aldus lid twee van datzelfde artikel).

Ten slotte ben ik van mening dat als moslims door gemeentes in dienst genomen worden om signalen van radicalisering door te geven zij in hun eigen achterban en vooral door potentiële rekruteerders en jihadisten gemeden zullen worden. Zij zullen een groot deel van hun contacten verliezen of deze zullen zwijgen. Dan kun je beter gewoon de veiligheidsdiensten erop zetten. Die zijn daarop getraind en hebben, naar verluidt, al ettelijke aanslagen voorkomen.

Overigens had de Telegraaf mijn commentaar uiteindelijk prima verwoord. Compliment voor de grootste krant van Nederland.

DELEN
Jan Jaap de Ruiter
Arabist aan de Tilburg University.