Trump in space

Foto: NASA

President Trump heeft recent aangekondigd dat hij voornemens is een nieuw krijgsmachtdeel toe te voegen aan de toch al behoorlijk diverse Amerikaanse krijgsmacht. Die bestaat momenteel uit marine, landmacht, luchtmacht, mariniers en kustwacht. Met allemaal een eigen ‘luchtmacht’ en, wat de marine, landmacht en luchtmacht betreft, ook nog een eigen ruimtevaartafdeling. Daar gaat Trump nu een eind aan maken door een aparte ‘ruimtemacht’ op te richten. Separate but equal zoals dat heet. Dat wil zeggen, een zelfstandige organisatie met een gelijkwaardige status als die van de marine, landmacht, luchtmacht, enzovoorts. Dat betekent een totaal nieuwe militaire organisatie – naast de bekende civiele ruimtevaartorganisatie NASA – met een eigen staatssecretaris (zoals in de VS gebruikelijk), eigen commandant, staf en hoofdkwartier, ambtelijk apparaat, eigen mensen en middelen, waaronder een eigen budget. Als belangrijkste reden geeft Trump aan dat de VS niet alleen militair aanwezig moet zijn in de ruimte, maar tevens dominant ten opzichte van andere ruimtevaartlanden. Los van de bureaucratische beslommeringen die dit met zich meebrengt, houdt een dergelijke Amerikaans initiatief, gericht op militaire dominantie in de ruimte, ook het risico in van een ruimtewedloop (space race) met de voornaamste concurrenten, Rusland en China.

De Amerikaanse krijgsmacht staat niet echt bekend om de goede samenwerking tussen de verschillende krijgsmachtdelen. Zelfs bij een gezamenlijk project als de F-35 (JSF) lijken luchtmacht, marine en mariniers een eigen koers te varen. Dat is zeker zo wat betreft het militair gebruik van de ruimte. Naast de Amerikaanse luchtmacht beschikken ook de landmacht en de marine over een eigen ruimtevaartafdeling. Het militair gebruik van de ruimte spitst zich toe op het lanceren van satellieten voor observatie (inclusief spionage en weerkundige waarneming), navigatie (GPS, ook voor uw TomTom) en communicatie (zowel voor het tot stand brengen van verbindingen, als het uitluisteren van verbindingen van de tegenpartij, ook spionage dus). Het gebruik van wapens, dat wil zeggen, het stationeren van wapens in de ruimte aan boord van bijvoorbeeld satellieten, is sinds het ruimteverdrag van 1967 verboden. Tot nu toe houdt iedereen zich daaraan.

Om de samenwerking tussen de Amerikaanse krijgsmachtdelen te verbeteren zijn tussen die krijgsmachtdelen (‘dwars op de organisatie’) zogenaamde unified commando’s opgericht. Zo bestaat onder andere het Special Forces Command, waarin de speciale eenheden van de diverse krijgsmachtdelen onder één commando samenwerken, het Mobility Command voor de diverse (strategische) transporteenheden, het Strategic Command, voor de verschillende strategische eenheden. In de jaren tachtig is daartoe ook het Space Command in het leven geroepen. Dat was echter maar een kort leven beschoren. In 2002 werd het Space Command door de regering Bush opgeheven in het kader van het beperken van het aantal unified commands en werden de militaire ruimtevaartcapaciteiten ondergebracht bij het Strategic Command. Op zich geen slechte keuze, aangezien de militaire ruimtevaartcapaciteit van de VS een strategische waarde heeft. Maar binnen het Strategic Command moeten de militaire ruimtevaartactiviteiten een budget delen met andere strategische middelen, zoals intercontinentale kernraketten op land en aan boord van onderzeeboten, strategische bommenwerpers en de verdediging tegen ballistische raketten. Dat maakt de span of control voor de leiding van het Strategic Command nogal breed, wat mogelijk problemen geeft in de aansturing van de organisatie.

Het is mogelijk deels om die reden dat Trump heeft besloten de ruimtevaartafdelingen los te weken van het Strategic Command om zo de focus op het behouden en versterken van de Amerikaanse militaire dominantie in de ruimte te vergroten. Daartoe zou de heroprichting van het Space Command moeten kunnen volstaan. Het is een beproefd en bewezen concept. Daarbij blijven de mensen en middelen ingedeeld bij hun diverse moederorganisaties, maar werken ze binnen de gezamenlijke commandostructuur samen.

Maar Trump wil verder gaan. Hij wil de ruimtevaartafdelingen van luchtmacht, marine en landmacht helemaal losmaken en samenvoegen tot één zelfstandig krijgsmachtdeel. Vanwege de al eerder aangegeven bureaucratie die dat met zich meebrengt, is het de vraag of dat een verstandige actie is. Het kan goed zijn dat alleen de oprichting van een nieuw krijgsmachtdeel al zoveel budget en inspanning gaat kosten dat van een effectief beleid om dominant te worden in de ruimte weinig terecht komt. Het is dus de vraag of de oprichting van een nieuwe ruimtemacht voldoende focus op de Amerikaanse doelstelling oplevert.

Heeft Trump dan geen punt? Integendeel. Rusland en China lopen hun achterstand op de Amerikanen steeds meer in. Ook in de ruimte. Om militair dominant te blijven in de ruimte dient een extra inspanning te worden geleverd. Daartoe dient de samenwerking tussen de ruimtevaartafdelingen van de verschillende krijgsmachtdelen te worden verbeterd. Er is nog een ander belang. Een belang dat ook in Nederland wordt erkend. De sinds de jaren vijftig explosief gegroeide ruimteactiviteiten hebben in de diverse ruimtelagen rondom de aarde ook een vervuilingsprobleem doen ontstaan. De duizenden lanceringen van ruimtevaartuigen en satellieten veroorzaken ook ‘ruimtepuin’ (space debris). Dat bestaat uit brokstukken, onderdelen, restanten van lanceringen en zelfs verfsnippers. De gemiddelde omloopsnelheid van zo’n brokstuk bedraagt zo’n dertigduizend kilometer per uur. Een satelliet of ruimtestation dat door een verfsnipper met die snelheid wordt geraakt kan grote schade oplopen met verlies van mens en materieel tot gevolg. Uitval van satellieten kan weer tot grote militaire problemen leiden (denk aan GPS), maar bij uitval van civiele satellieten ook tot economische problemen (denk aan internetverbindingen). Ook om die reden is het van belang dat de ruimtevaartinspanningen beter op elkaar worden afgestemd, inclusief de inspanning om ruimtepuin beter te volgen en in kaart te brengen en op den duur op te ruimen.

Ook Nederland draagt daar een steentje aan bij. Nederland beschikt over de door Thales Nederland gebouwde Smart-L-radar die aan boord van marineschepen wordt geplaatst en voor de luchtmacht op twee locaties in Nederland zelf. Met deze radars kan ruimtepuin worden gevolgd en in kaart gebracht. Dat kan dan worden gedeeld via een internationaal netwerk, waardoor een goed overzicht kan worden opgebouwd. Voor Nederland is er vanaf 2019 ook een direct militair belang. Dan lanceert de luchtmacht haar eerste eigen mini-satelliet om ervaring op te doen met het doen van observaties vanuit de ruimte.

Trump heeft dus wel degelijk een punt. Maar organisatorisch is het de vraag of de keuze voor een zelfstandige ruimtemacht voldoende efficiënt is om de het gewenste effect te bereiken, permanente militaire dominantie in de ruimte. Een gezamenlijk ruimtevaartcommando zou mogelijk een betere, goedkopere optie bieden met meer focus op de missie.

Dat staat nog los van de vraag wat de reactie van Rusland en China zal zijn op een zelfstandige Amerikaanse ruimtemacht. De kans is groot dat ze zich uitgedaagd zullen voelen om de race om dominantie aan te gaan. Daarbij is het dan ook de vraag of in zo’n wedloop op een gegeven moment toch niet bewapening van satellieten in zicht komt, in weerwil van het ruimteverdrag van 1967.

Zover is het nog niet. Eerst moet het Amerikaanse congres zich nog uitspreken over de plannen van Trump. En het congres is nog niet overtuigd.

DELEN
Peter Wijninga
Defensiedeskundige. Strategisch analist bij het The Hague Center for Strategic Studies. Voormalig officier van de Koninklijke Luchtmacht.