12 C
Amsterdam

Ministerie van Sociale Zaken wil onderzoek naar antisemitisme ‘per afkomstgroep’, moslims vrezen stereotypering

Lees meer

Het ministerie van Sociale Zaken heeft een tender (aanbesteding) openstaan voor onderzoek naar antisemitisme onder Nederlandse jongeren, waarbij expliciet wordt verwezen naar een omstreden onderzoek van het Verwey-Jonkerinstituut uit 2015 naar antisemitisme per afkomstgroep. Nederlandse moslims zijn bang weer te worden gestereotypeerd als antisemitisch. 

Gegevens over afkomst vallen onder bijzondere persoonsgegevens. Het verzamelen daarvan kan botsen met privacywetgeving. Bovendien ligt stereotypering van groepen op de loer, vooral van moslims.

Onderzoeksbureaus kunnen zich nog twee dagen inschrijven op de tender. ‘Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, directie Samenleving en Integratie, heeft behoefte aan nieuw onderzoek naar de prevalentie van antisemitische vooroordelen in de Nederlandse samenleving en naar de (trigger)factoren die van invloed zijn op het ontstaan en het daadwerkelijk uiten van deze vooroordelen’, staat op de website Tenderned.nl. ‘Met dit onderzoek wil de Opdrachtgever de inzichten uit eerder onderzoek (uit 2015) naar “Antisemitisme onder jongeren in Nederland, oorzaken en triggerfactoren” (Bijlage A), actualiseren en verbreden.’

De verwijzing naar het omstreden onderzoek van het Verwey-Jonkerinstituut is opvallend. Uit dat onderzoek bleek dat jongeren duidelijk negatieve gevoelens hebben over Joden in Nederland en dat het percentage het hoogst ligt onder moslimjongeren: 12 procent.

Maar het onderzoek concludeerde ook iets anders:

‘Een klein percentage van de christelijke en niet-gelovige jongeren denkt niet zo positief over Joden in Nederland; onder islamitische jongeren is dit aantal iets hoger. Christelijke en niet-gelovige jongeren denken veel vaker niet zo positief over Antillianen, Surinamers, Marokkanen, Turken en in het algemeen moslims dan over Joden in Nederland. We zien verder dat christelijke en niet-gelovige jongeren veel vaker niet zo positief denken over Antillianen, Surinamers, Marokkanen, Turken en in het algemeen moslims dan islamitische jongeren denken over Joden in Nederland. Tegelijkertijd constateren we dat aanzienlijk meer jongeren, in het bijzonder islamitische jongeren, niet zo positief denken over Joden in Israël, over de staat Israël en over zionisten.’

Kennelijk heeft het ministerie van Sociale Zaken nu geen behoefte om verder onderzoek te doen naar islamofobie en dat nader te specificeren per afkomstgroep.

In 2015 verscheen bovendien nog een relevant vervolgonderzoek, van het Verwey Jonkerinstituut en de Anne Frank Stichting, waaruit bleek dat ‘negatieve gevoelens over Joden’ onder moslims sterk samenhingen met het beleid van Israël en dus het ‘islamitische antisemitisme’ werd genuanceerd.

In de nieuwe tender wordt vreemd genoeg niet naar dit vervolgonderzoek en naar de Israëlische politieke context verwezen. De Israëlische krant Haaretz schreef onlangs dat Israël steeds meer een gevaar vormt voor Joden over de hele wereld.

Het belangrijkste is dat onderzoeken degelijk worden uitgevoerd. Dat gebeurt niet altijd, soms met verstrekkende gevolgen. Het meest beruchte voorbeeld is het Motivaction-onderzoek uit 2014, dat stelde dat 90 procent van de Turks-Nederlandse jongeren sympathie zou hebben voor de terreurbeweging IS. Toenmalig minister van Sociale Zaken Lodewijk Asscher (PvdA) ging hiermee aan de haal en wilde een gesprek aangaan met Turkse organisaties over de integratie van hun achterban. Later bleek echter dat het onderzoek methodologisch gezien rammelde. Ten onrechte waren Turks-Nederlandse jongeren als extremistische fundamentalisten weggezet.

- Advertentie -