Abdelkrim el-Khattabi, de leeuw van Arif

Foto: Wikimedia Commons
‘Als in 1926 de opstand is neergeslagen, krijgen de Franse en Spaanse regeringen felicitatietelegrammen van de sultan.’

In Nederland heeft bijna niemand van hem gehoord en de Marokkaanse overheid probeert hem te vergeten, maar voor veel mensen uit de Rif is hij ‘de leeuw van Arif’ (Arif of Arrif is Riffijns voor de Rif), een soort vader des vaderlands: Mohammed Abdelkrim el-Khattabi (1882-1963) gaf in de jaren twintig van de vorige eeuw leiding aan de Rif-opstand tegen de Spaanse en Franse koloniale overheersers en was na de Tweede Wereldoorlog een belangrijke inspirator voor de dekolonisatiebeweging. Wie was ‘Abdelkrim’, hoe verliep zijn opstand tegen de Spanjaarden en de Fransen en waarom is hij voor veel Riffijnen, ook voor Rif-activisten in Nederland, een voorbeeld ter navolging? De Kanttekening sprak met schrijvers Said Bouddouft en M’hamed el-Abdouni en met journaliste Sietske de Boer over deze charismatische vrijheidsstrijder.

Rebellen
‘Marokko werd pas heel laat gekoloniseerd, namelijk in 1912’, vertelt Bouddouft, die bezig is met een geschiedenisboek over de Rif. ‘Marokko kampte begin twintigste eeuw met chaos en opstanden. De Europese landen hebben toen besloten dat Frankrijk en Spanje Marokko onderling mochten verdelen. Frankrijk kreeg het leeuwendeel, Spanje kreeg de Rif in het noorden en het uiterste zuiden. Tanger werd een internationale stad.’

In tegenstelling tot de Fransen, die hun deel van Marokko snel en effectief wisten te bezetten, schoot de Spaanse kolonisatie niet echt op. ‘Khattabi en ook zijn vader waren rechter en werkten aanvankelijk met de Spanjaarden samen. Ze hoopten dat de modernisering de Rif ten goede zou komen. Toen echter bleek dat de Spanjaarden niet geïnteresseerd waren in de ontwikkeling van de Rif, maar het gebied wilden onderwerpen, overheersen en leegroven, besloot Khattabi om in opstand te komen. Hij wist de Riffijnse stammen te verenigen en versloeg in 1921 de Spanjaarden vernietigend bij Annual. Daarna was een groot deel van de Rif een tijdlang in handen van de rebellen. Alleen Ceuta, Melilla en het gebied daaromheen bleven Spaans. De Riffijnse Republiek werd officieel uitgeroepen op 1 februari 1923; op 18 september 1921 werd dat doel geformuleerd en het zogenoemde ‘Rif-front’ geformeerd. De Republiek heette in het Arabisch ad-dawla al-djumhuriya ar-Riffiya, ‘de Riffijnse republikeinse staat’. Deze staat zocht tevergeefs erkenning bij de Volkerenbond.’ Deze republiek was een staat in opbouw en tegelijkertijd in oorlog. Er kwam een vlag en een volkslied en er werd een munt ontworpen, maar die werd nooit ingevoerd.

Pas nadat de Fransen zich in 1925 met het conflict gingen bemoeien, ging het mis met de Riffijnse Republiek. Dat de Fransen in de oorlog verzeild raakten, kwam door een grensconflict, zo staat beschreven in het boek Abdelkrim El Khattabi en de Riffijnse Republiek van M’hamed el-Abdouni. Ondanks de gifgasbombardementen hadden de Riffijnen de Spanjaarden praktisch verslagen. Toen het ernaar uitzag dat Khattabi wellicht wilde doorstoten naar Frans-Marokko, kregen de Fransen het benauwd en gingen ze samenwerken met de Spanjaarden om Khattabi en zijn strijders te verslaan. De Fransen en Spanjaarden hadden, toen ze in 1912 Marokko verdeelden, hun grenzen niet scherp getrokken. Nadat de Fransen de Wergha-rivier overtrokken en de gebieden ten noorden daarvan bezetten, raakten ze in conflict met de Riffijnse stammen die daar woonden. Khattabi wilde met de Fransen onderhandelen, omdat hij wist dat hij een oorlog met Frankrijk niet zou kunnen winnen. De Fransen stelden zich echter onverzoenlijk op, zodat Khattabi toch besloot de strijd aan te gaan. Een ander motief waarom Frankrijk ten oorlog trok was het succes van Khattabi. De Fransen waren bang dat de rest van Marokko, Algerije, Tunesië en andere Franse koloniale bezittingen in Noord-Afrika ook in opstand zouden komen.

‘Tegen de gezamenlijke Frans-Spaanse overmacht konden de Riffijnse rebellen niet op’, vertelt Bouddouft. ‘Er waren op een gegeven moment bijna een half miljoen militairen onder de wapenen. De Frans-Spaanse amfibische landing eind 1925 bij al-Hoceima was het beslissende moment in de oorlog. De Riffijnen werden steeds verder teruggedrongen. In 1926 legde Khattabi de wapens neer. Hij gaf zich over aan de Fransen en niet aan de Spanjaarden, omdat de laatsten wraakzuchtig waren vanwege hun nederlaag bij Annual.’

Khattabi werd, nadat hij gevangen werd genomen, verbannen naar Réunion, een Frans eiland in de Indische Oceaan, ten oosten van Madagaskar. In 1947 kwam hij vrij, op voorwaarde dat hij zich in Frankrijk zou vestigen. Op weg naar Frankrijk ontsnapte Khattabi echter in Port Said en vroeg hij asiel aan in Egypte. Daar kreeg hij de leiding over het bureau voor de Maghreb van de Arabische Liga (Maghreb is Arabisch voor ‘het Westen’ of specifiek gezien Marokko). Toen Marokko onafhankelijk werd, weigerde Khattabi terug te keren naar zijn geboorteland, omdat hij van mening was dat Marokko zich te afhankelijk opstelde tegenover Frankrijk. In 1962 keerde hij heel even terug, maar bezocht niet de Rif. Een jaar later overleed hij in Egypte.

 

De sultan en de republiek
Wanneer ze over de Rif-oorlog vertellen, benadrukken Bouddouft en Abdouni de huns inziens kwalijke rol die de sultan van Marokko tijdens dit conflict heeft gespeeld. De sultan wilde onder geen beding de rebellen helpen en steunde het neerslaan van de opstand. ‘De Fransen handelden officieel in naam van de sultan, zijn handtekening stond onder de besluiten’, vertelt Bouddouft. ‘Als in 1926 de opstand is neergeslagen, krijgen de Franse en Spaanse regeringen ook felicitatietelegrammen van de sultan. En hij is op 14 juli aanwezig bij een grote Franse overwinningsparade in Parijs.’

Abdouni legt uit dat sinds 1666 Marokko geregeerd wordt door de Alaoui-dynastie, die ook wel de alawieten worden genoemd. ‘Deze dynastie sloot met Frankrijk een protectoraatsverdrag, omdat de dynastie nauwelijks nog macht had in Marokko. Alleen in de hoofdstad Fes had men nog iets te zeggen. Het protectoraatsverdrag was bedoeld om de dynastie te redden. Marokko moest de rekening betalen, Frankrijk nam het land over. Na de Tweede Wereldoorlog steunde de sultan de onafhankelijkheid van Marokko, maar bleef de Fransen te vriend houden. Er werd met Frankrijk een vriendschapspact gesloten, waarin stond dat de belangen van Franse ondernemers, colons (in het geval van Algerije ook wel pieds-noirs genoemd, letterlijk ‘zwartvoeten’, een term voor Franse kolonisten, red.), enzovoort niet geschaad mochten worden. In de jaren twintig kwam steun aan Khattabi de Alaoui-dynastie niet uit, omdat dit de dynastie in gevaar zou brengen. Na de Tweede Wereldoorlog was er meer ruimte voor een kritischere opstelling tegenover Frankrijk, maar niet te veel.’

Historici discussiëren over de vraag of de door Khattabi opgerichte Riffijnse Republiek wel echt een onafhankelijke staat was. Bouddouft en Abdouni zijn hierover genuanceerd. ‘Khattabi heeft altijd de opperheerschappij van de sultan over Marokko erkend’, stelt Bouddouft. ‘Maar het feit dat de sultan de opstand bestreed, zette wel kwaad bloed. Het streven naar onafhankelijkheid is iets van zeer recente datum, van de enkele jaren geleden opgerichte 18 september-beweging (genoemd naar 18 september 1921, de dag waarop de Riffijnse Republiek werd opgericht, red.). De protestbeweging Hirak Rif streeft expliciet niet naar onafhankelijkheid, hoewel het Marokkaanse regime de demonstranten wel voor separatisten uitmaakt. Op de Marokkaanse televisie zag je opeens allemaal demonstranten die voor onafhankelijkheid waren. Dit waren heethoofden, of agents provocateurs (infiltranten die politieke tegenstanders van een regime tot onwettige daden proberen aan te zetten, red.) van de regering die Hirak Rif in een kwaad daglicht willen stellen.’ Abdouni onderschrijft deze analyse: ‘De meeste Riffijnen willen volgens mij nu geen onafhankelijkheid, maar wel dat het beter gaat met hun land. Het wij-gevoel van de Riffijnen zou ik dan ook geen nationalisme willen noemen.’

‘Ook voor de Rif-oorlog van de jaren twintig was de Rif een autonoom gebied’, vertelt Sietske de Boer, die bijna klaar is met het boek Het verdriet van de Rif, dat dit jaar uitkomt. ‘Het officiële verhaal is dat Khattabi de legitimiteit van de sultan erkende. Maar in een interview met de Amerikaanse journalist Vincent Sheean zei Khattabi het tegenovergestelde, namelijk dat hij de sultan niet erkende, omdat die zich te veel zou voegen naar de Fransen. Volgens Sheaan werd Khattabi zelf met ‘sultan’ aangesproken door degenen die hem omringen, in 1925, wanneer Khattabi op het hoogtepunt van zijn macht is.’

 

Gifgas
Een ander heet historisch hangijzer is het gebruik van gifgas tegen de plaatselijke bevolking. ‘Spaanse en Franse vliegtuigen bombardeerden de Rif met gas, waardoor duizenden onschuldige burgers stierven’, vertelt Bouddouft. ‘Het was voor het eerst dat gifgas via vliegtuigen naar beneden werd gegooid. De Fransen en Spanjaarden wilden namelijk niet dat hun eigen troepen risico zouden lopen. De Riffijnen hadden aanvankelijk niet in de gaten wat er aan de hand was. Zou er een epidemie uitgebroken zijn? De mensen wisten niet dat Fransen en Spanjaarden de landbouwgebieden liepen te vergiftigen. Vervolgens werden de waterbronnen besmet en daarna bergen waar rebellen zaten. Aan het einde van de gifgascampagne werden de dorpen aangevallen. Toen pas kregen Riffijnen in de gaten dat er gas werd gebruikt. Ze kenden het niet. Mede vanwege deze gifgasaanvallen besloot Khattabi om de oorlog te staken. Hij wilde niet dat er nog meer onschuldige burgers zouden sterven.’

Ook De Boer heeft zich met dit onderwerp beziggehouden: ‘Frankrijk, Spanje en ook Marokko hebben dit altijd ontkend, maar dankzij het onderzoek van Rudibert Kunz en Rolf-Dieter Müller, twee Duitse journalisten, kon in 1990 worden bewezen dat er wel degelijk gifgas is gebruikt. De Spanjaarden hadden na de Rif-oorlog alle bewijzen opgeruimd, maar ze hadden hun kennis bij de Duitsers opgedaan, die tijdens de Eerste Wereldoorlog gifgas hadden ingezet. De Duitsers hadden in Madrid en Melilla in het geheim gifgasfabrieken opgezet.’

Rif-activisten beweren dat de ziekte kanker buitenproportioneel voorkomt op de Rif, als gevolg van de gifgasaanvallen. De Boer is voorzichtig als journalist, maar vindt wel dat dit goed onderzocht moet worden. Het is echter maar de vraag of dit gebeuren gaat, want ook de staat Marokko, die zich tijdens de Rif-oorlog aan de kant van Spanje en Frankrijk schaarde, heeft hier geen belang bij. Spanje zelf heeft weinig behoefte aan eventuele schadeclaims. Alleen een Catalaanse partij is van mening dat Spanje schuld moet bekennen. Het Spaanse parlement heeft een discussie hierover geblokkeerd.

De erfenis
De herinnering aan ‘Abdelkrim’ speelt een belangrijke rol in het wij-gevoel van de Riffijnen. Volgens Abdouni komt dit omdat Khattabi degene was die de Riffijnen vrijheid bracht – al was het maar tijdelijk – en daarnaast de verschillende stammen wist te verenigen en tot een eenheid te smeden. Ook voor anderen was Khattabi een inspirerend voorbeeld. Onder andere de communistische leiders Mao Zedong (China) en Ho Chi Minh (Vietnam) en de Cubaanse revolutionair Che Guevara hebben van zijn guerrillatactieken geleerd. Guevara heeft Khattabi op 14 juni 1959 persoonlijk ontmoet in Egypte, omdat de Riffijnse vrijheidsstrijder één van zijn helden was.

Belangrijk voor de herinnering aan Khattabi is 6 februari, zijn sterfdag. Deze herdenking wordt tegenwoordig door Rif-activisten aangegrepen om aandacht te vragen voor hun zaak. In 2017 grepen de Marokkaanse autoriteiten hard in, toen Rif-activisten in al-Hoceima de rebellenleider wilden herdenken. Dit jaar organiseerden Rif-activisten in verschillende steden in Europa bijeenkomsten en demonstraties, om op deze manier tegen de mensenrechtenschendingen in Marokko te protesteren. Zo werd er op 9 februari in Madrid een debatavond georganiseerd en vond er een dag later een grote demonstratie in Barcelona plaats. In hetzelfde weekend was er ook een herdenkingsbijeenkomst in Utrecht, waar onder anderen PvdA-Europarlementariër Kati Piri sprak. De strijd van nu wordt door Rif-activisten verbonden met de vrijheidsstrijd van toen. Sommige Rif-activisten, de meest radicale, dromen van een onafhankelijke republiek. Andere activisten willen meer autonomie voor de regio, of dat Marokko in ieder geval een einde maakt aan de economische achterstelling van het gebied.

Andere manieren om je verbondenheid met de Rif en met Khattabi te laten blijken, zijn de vlag van de Riffijnse Republiek, waar Rif-activisten vaak mee zwaaien, het zingen van Rif-liederen en last but not least een sleutelhanger met daarop de beeltenis van ‘Abdelkrim’. De Haagse PvdA-bestuurder Abdessamad Taheri heeft zo’n sleutelhanger, die hij trots op Facebook laat zien samen met zijn bonuskaart van de Albert Heijn. Taheri schrijft in diezelfde Facebook-post dat hij hoopt dat er ooit een Nederlandse straat vernoemd zal worden naar ‘deze grote verzetsheld’.

DELEN
Ewout Klei
Journalist gespecialiseerd in politiek en geschiedenis.