9.3 C
Amsterdam

Hoe stop je racisme op het sportveld? Met duidelijke regels van de club

Lees meer

Op het sportveld is iedereen gelijk. Maar zonder duidelijke clubregels kan het juist een plek worden van uitsluiting en racisme, zegt onderzoeker Ali Karatas, en niet elke club neemt discriminatie even serieus.

Wie sportreclame ziet, zoals die van de KNVB, krijgt een beeld van een plek waar afkomst, geloof, kleur en klasse er even niet toe doen, omdat uiteindelijk maar één ding telt: wat je op het veld laat zien. Dat is een aantrekkelijk verhaal. Zeker in Nederland, waar sportverenigingen graag worden voorgesteld als miniatuursamenlevingen waarin kinderen leren samenwerken, omgaan met winst en verlies, en ontdekken dat ze onderdeel zijn van een team.

Maar wie de randen van de tv kijkt, ziet niet alleen de positieve kanten van de samenleving terug op het sportveld. Een speler die ‘kankerbuitenlander’ naar zijn hoofd krijgt. Een jongen die in Nederland is geboren, maar tijdens een wedstrijd te horen krijgt dat hij ’terug naar Marokko’ moet. Een Chinees-Nederlandse jeugdspeler aan wie wordt gevraagd of hij hond of vleermuis eet. Moeders met hoofddoek die langs de zijlijn worden bekogeld met flesjes en teams die op een gegeven moment besluiten: de eerstvolgende keer stappen we van het veld.

Amateurvoetbal

Racisme bestaat niet uit enkele incidenten langs de lijn. Uit gesprekken van de NOS met 36 jeugdspelers uit het amateurvoetbal kwamen in 2025 meer dan 140 incidenten naar voren waarin racisme een rol speelde.

‘Sport staat niet los van de wereld erbuiten’

Sommige jongeren zeiden zelfs wekelijks racistisch te worden bejegend, soms meerdere keren per wedstrijd. Tegelijkertijd ontving de KNVB in datzelfde seizoen 230 meldingen van discriminatie bij ongeveer 800.000 wedstrijden en 67.000 competitieteams.

Minder, minder-uitspraak

Volgens Ali Karatas, onderzoeker bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) en al jarenlang actief als vrijwilliger, bestuurder en onderzoeker in de sport, is dat precies de kern van het probleem: ‘Sport staat niet los van de wereld erbuiten. Wat in politiek, media en online debat wordt genormaliseerd, sijpelt vroeg of laat ook door naar de tribune, de kleedkamer en het amateurveld.’

De bekende uitspraak van Wilders is daar volgens hem een goed voorbeeld van. ‘Na de ‘minder, minder’-uitspraak van Wilders hoorde je in het weekend van diverse bestuurders dat kinderen op jeugdvelden hetzelfde naar hun hoofd kregen, diverse kinderen zijn ook huilend van het veld gelopen.’

Ook daarin zie je volgens Karatas dat niet iedere club discriminatie direct serieus neemt. In het AD probeerde een bestuurder de ernst zelfs te relativeren door te suggereren dat er niet ‘minder’, maar ‘missen’ zou zijn geroepen.

Die waarneming sluit aan bij de vijfde voortgangsrapportage van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme. In het rapport Tussen Kamer, krant en sociale media concludeert de commissie hoe politici, landelijke kranten en sociale media elkaar voortdurend beïnvloeden. Vooral uitingen van Tweede Kamerleden blijken door te werken in kranten en op sociale media. Uitingen over ‘Joden’, ‘moslims’ en ‘herkomst’ werden daarbij vaker overgenomen dan uitingen over andere discriminatiegronden.

Voor Karatas zit daar precies de dubbelheid van sport: ‘Sport is een van de weinige plekken in Nederland waar mensen met verschillende achtergronden elkaar nog echt ontmoeten, juist in een samenleving waarin veel contacten zich afspelen binnen eigen kringen, online bubbels of gescheiden werelden.

Maar die kracht maakt sport ook kwetsbaar. Want mensen bij elkaar brengen is niet automatisch hetzelfde als verbinding creëren. Als er geen duidelijke normen zijn, geen begeleiding en geen trainers of bestuurders die weten hoe ze moeten ingrijpen, kan zo’n ontmoetingsplek omslaan in een plek van uitsluiting en vernedering.’

Moeilijk te bewijzen

Volgens Karatas zijn harde uitspraken niet de enige vormen van discriminatie. ‘We denken bij racisme vaak meteen aan de meest grove uitingen, maar in de praktijk zit het ook in kleine opmerkingen, in pesterijen, in dingen die subtiel genoeg zijn om te ontkennen. En precies dat maakt ze zo hardnekkig: ze zijn moeilijk te bewijzen en daardoor makkelijk relativeren.’

Het NJi omschrijft discriminatie dan ook breder dan alleen openlijk racistische beledigingen: mensen anders behandelen, achterstellen of uitsluiten op basis van persoonskenmerken zoals godsdienst, huidskleur of gender.

Karatas heeft ook eerder onderzoek gedaan naar kansengelijkheid binnen de sport. ‘We doen vaak alsof selectie alleen om kwaliteit draait, maar dat is helaas niet zo. Als twee jongens even goed zijn, speelt herkenning ook mee: in wie een trainer zichzelf ziet, welke ouders dicht op de club zitten, wie de codes kent. En daar komen ook vooroordelen bij. Zo zouden Marokkaanse jongens geen discipline hebben of pingelaars zijn. Dan heb je het niet meer alleen over talent, maar ook over een achterstand van kansen.’

Kinderen kunnen zich terugtrekken

Volgens Karatas laat racisme op jonge leeftijd vaak diepere sporen na dan mensen denken: ‘Het gaat niet alleen om verdriet, boosheid of vernedering op dat ene moment’, zegt hij. ‘Als jongeren structureel op hun identiteit worden geraakt, werkt dat door in hun zelfbeeld, hun zelfvertrouwen en hun gevoel van veiligheid’

Volgens hem kunnen kinderen en jongeren zich daardoor terugtrekken, bepaalde plekken gaan vermijden of met schaamte en verwarring naar zichzelf gaan kijken, juist in een fase waarin ze nog bezig zijn hun plek in de wereld te vinden.

‘Zolang iemand presteert, mag hij meedoen in het nationale verhaal’

Karatas ziet dat ook terug in de manier waarop er over multiculturele topsporters wordt gesproken. ‘Zolang iemand presteert, mag hij meedoen in het nationale verhaal. Maar zodra het misgaat, wordt zijn etniciteit of afkomst weer naar voren geschoven.’ Dan gaat het volgens hem ineens niet meer alleen over sport, maar ook over afkomst, loyaliteit en identiteit. ‘Succes maakt je tijdelijk acceptabel, falen maakt weer verdacht.”

Apengeluiden op het veld

Volgens Karatas is melden voor veel jongeren ingewikkelder dan vaak wordt gedacht. ‘Wie discriminatie aankaart, stelt zich kwetsbaar op’, zegt hij. Vooral als het gaat om subtiele vormen die moeilijk te bewijzen zijn. Dan speelt niet alleen wat er precies is gebeurd, maar ook wat een melding vervolgens doet met je positie binnen het team of de club. Word je serieus genomen, of vooral gezien als lastig? Word je beschermd, of wordt er vooral geprobeerd de rust te bewaren?

Juist daarom benadrukt Karatas het belang van omstanders. ‘Ik was ooit bij een wedstrijd van NEC Tegen ADO Den Haag, nadat ik eerder die dag nog een bijeenkomst over discriminatie en racisme had bijgewoond. Op het veld stond een zwarte speler die iedere keer als hij aan de bal kwam met apengeluiden werd geconfronteerd door de ADO-supporters. Iedereen hoorde het, maar niemand stond op en niemand zei er iets van. Pas later kwam er vanuit het stadion een oproep dat het moest stoppen. Dat moment is me altijd bijgebleven, omdat het laat zien dat je niet neutraal bent als je zwijgt. Je moet standpunt innemen, je moet ingrijpen en je moet duidelijk zeggen: dit hoort niet.’

Die verantwoordelijkheid geldt volgens Karatas net zo goed voor amateurclubs. Zolang racisme wordt weggezet als emotie, wedstrijdspanning of iets wat nu eenmaal bij sport hoort, blijft het probleem zichzelf herhalen.

Wie zwijgt of relativeert, werkt volgens hem mee aan normalisering. Daarom moeten clubs niet alleen meldpunten hebben, maar vooral een cultuur creëren waarin jongeren weten dat ze serieus worden genomen en dat grensoverschrijdend gedrag ook echt gevolgen heeft.

Afspraken op de club

Een serieuze aanpak is een goede stap volgens Karatas: ‘Een club moet al vóór een incident duidelijk maken waar ze voor staat. Veel verenigingen reageren pas als er al iets is misgegaan, maar dan ben je eigenlijk te laat.’ Inclusie, veiligheid en respect mogen volgens hem niet beperkt blijven tot een beleidsstuk of een ‘De missie op papier. ‘De norm moet vooraf zichtbaar zijn, voor spelers, ouders, trainers en bestuurders. Mensen moeten zien: dit accepteren we niet.’

Daarom hecht hij veel waarde aan concrete en zichtbare afspraken op de club. Karatas is dan ook voorstander van het initiatief Code 030 in Utrecht, waarbij gedragsregels samen met verenigingen en lokale partijen zichtbaar zijn gemaakt op sportparken.

Zulke regels zijn volgens hem niet ingewikkeld. ‘Iedereen is welkom, respecteer de wedstrijdleiding, blijf sportief — het klinkt simpel, en dat is het ook. Maar juist die zichtbaarheid doet ertoe. Niet omdat een bord racisme oplost, maar omdat je als club wel laat zien: hier ligt een grens, en vrijblijvend.’ grens is niet vrijblijvend.’

‘Kies je voor bescherming, respect en ontmoeting?’

Volgens Karatas vraagt dat ook om meer dan goede bedoelingen. Een vereniging moet weten wat ze doet op het moment dat het misgaat. ‘Je hebt aanspreekpunten nodig, klachten veilige route voor klachten, en bestuurders die erkennen dat dit probleem bestaat’, zegt hij. Zonder die erkenning blijft beleid vooral symbolisch. ‘Anders blijft het iets voor op papier, terwijl jongeren in de praktijk nog steeds niet weten waar ze terechtkunnen.’

Die verantwoordelijkheid stopt volgens Karatas niet bij de poort van de vereniging. Ook gemeenten en beleidsmakers moeten volgens hem beter begrijpen wat kansengelijkheid in de praktijk vraagt. ‘We doen vaak alsof hetzelfde beleid voor iedereen automatisch eerlijk is, maar als sommige clubs meer te maken hebben met spanningen, minder middelen hebben of in buurten zitten waar uitsluiting harder binnenkomt, dan moet daar ook anders in investeren. Soms moet je juist ongelijk investeren om eerlijker uit te komen.’

Verschillen zijn er

Ondanks diverse initiatieven, reclames en investeringen is Karatas er niet gerust op dat racisme ooit uit de sport zal verdwijnen. ‘Verschillen tussen groepen zullen er altijd zijn en daarmee blijft ook altijd het risico bestaan dat die verschillen negatief worden geladen.’

De echte vraag is volgens hem dan ook niet of het probleem vanzelf weggaat, maar wat voor samenleving daar tegenover wordt gezet. ‘Kies je voor bescherming, respect en ontmoeting? Of laat je een klimaat bestaan waarin vernedering steeds opnieuw als normaal wordt behandeld?’

Juist daar raakt sport volgens Karatas aan iets groters dan sport alleen. Omdat een vereniging een van de laatste plekken is waar verschillende werelden elkaar nog echt ontmoeten, kan ze ook laten zien dat het anders kan. ‘Het veld liegt niet’, zegt Karatas uiteindelijk. ‘Het laat alleen zien wat wij daarbuiten hebben laten groeien.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -