Dat Republikeinen vandaag rechts zijn en Democraten links lijkt vanzelfsprekend. Maar in de negentiende eeuw was het precies andersom. Die omkering verklaart niet alleen de Amerikaanse Burgeroorlog, maar ook de hardnekkige polarisatie van nu.
Wie naar de Verenigde Staten van vandaag kijkt, ziet een vertrouwd schema. Republikeinen gelden als rechts, conservatief en nationalistisch; Democraten op hun beurt als links, progressief en cultureel liberaal. Maar wie dat schema zonder meer terug projecteert op het verleden, raakt al snel in de knoop. In de negentiende eeuw waren het juist de Republikeinen die zich presenteerden als hervormers, terwijl de Democratische Partij gold als de behoeder van traditie, lokale autonomie en een bestaande sociale hiërarchie, inclusief slavernij.
Hoe kan het dat de partijen die nu elkaars tegenpolen zijn, ooit zo anders gepositioneerd waren? Hoe droegen de partijpolitieke tegenstellingen bij aan het uitbreken van de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861–1865? En hoe kwam het dat de Republikeinse Partij in de lange periode daarna uiteindelijk verrechtste en de Democraten links werden?
Om dat te begrijpen, moeten we terug naar het midden van de negentiende eeuw, toen het Amerikaanse partijstelsel instortte en opnieuw werd opgebouwd.
Slavernij was een politiek machtsblok
De kern van het conflict dat leidde tot de Amerikaanse Burgeroorlog was niet simpelweg morele verontwaardiging over het inderdaad verschrikkelijk mensonterende fenomeen slavernij. Het ging om een structureel probleem, namelijk om de vraag wie Amerika bestuurde. Slavernij was niet slechts een economisch systeem, het was een politiek machtsblok.
In het Zuiden heerste King Cotton, maar zijn macht reikte veel verder dan de regionale grenzen. De slavenstaten kregen namelijk extra politieke vertegenwoordiging dankzij de zogeheten Three-Fifths Clause. Tot slaaf gemaakte mensen hadden geen stemrecht, maar telden wel voor drie vijfde mee in de bevolkingsaantallen. Daardoor beschikten de zuidelijke staten over meer zetels in zowel het Huis van Afgevaardigden als de Senaat dan hun vrije bevolking rechtvaardigde.
Tot slaaf gemaakte mensen telden wel voor drie vijfde mee in de bevolkingsaantallen
Die scheve machtsverhouding was ook zichtbaar in de federale instituties. Hoewel slechts ongeveer twee procent van de Amerikanen zelf slaven bezat, waren in 1857 vijf van de negen rechters van het Hooggerechtshof slaveneigenaren. Voor veel Noordelingen was dit het bewijs dat de invloed van de slavernijstaten onevenredig groot was. Zij spraken daarom van de Slave Power: een kleine, maar machtige elite die de rest van het land haar wil oplegde.

De meeste noorderlingen accepteerden lange tijd de slavernij als een voldongen feit. Slavernij was moreel misschien afkeurenswaardig, maar vooralsnog een regionale aangelegenheid, vooral geen politiek vraagstuk. Wellicht zou de slavernij bij gebrek aan winstgevendheid uiteindelijk vanzelf uitsterven. Dat gebeurde echter niet. Ook begon de slavernij zich uit te breiden naar nieuwe territoria in het westen. De kwestie werd daarmee onontkoombaar. Zouden de Verenigde Staten zich ontwikkelen als een natie van vrije arbeid, of als een slavenrepubliek met steeds meer macht voor de Slave Power?
In die context was de Democratische Partij de dominante politieke kracht. Zij beriep zich op de erfenis van Thomas Jefferson (president van 1801 tot 1809) en Andrew Jackson (president van 1829 tot 1837). Hun politieke ideologie bestond uit wantrouwen tegen een sterke federale overheid, nadruk op de rechten van de afzonderlijke staten en een populistische afkeer van elites in banken en de industrie. In de praktijk betekende dit echter dat de partij steeds sterker verstrengeld raakte met de belangen van het slavensysteem.
De Democraten waren geen monolithisch pro-slavernijblok. Er bestonden ook noordelijke Democraten die slavernij liever zagen verdwijnen. De partij als geheel tolereerde echter geen fundamentele kritiek op het systeem. Wie te ver ging, werd politiek gemarginaliseerd of zelfs fysiek geïntimideerd. Vrijheid van meningsuiting eindigde waar de belangen van het Zuiden begonnen.
Whigs en Know-Nothings
Tegenover de Democraten stond lange tijd de Whig-partij. Die was ontstaan als een brede oppositiebeweging tegen het presidentschap van Andrew Jackson. De Whigs geloofden in economische modernisering, infrastructuur, onderwijs en een actievere rol van de federale overheid. Ze hadden steun onder ondernemers, professionals en hervormingsgezinde burgers in het Noorden.
Maar de Whigs hadden een fatale zwakte: ze wisten zich geen houding te geven in de slavernijkwestie. Om zowel noordelijke als zuidelijke kiezers vast te houden, probeerden ze het onderwerp te neutraliseren. Dat lukte zolang slavernij politiek ‘beheersbaar’ bleef, maar faalde volledig toen de uitbreiding ervan centraal kwam te staan.
De dubbelhartigheid van de Whigs werd belichaamd door hun leider Henry Clay (1777–1852), die zelf ook een slaveneigenaar was. Clay was de man van het compromis en architect van de Missouri Compromise, dat bepaalde dat alle staten ten noorden van 36° 30′ noorderbreedte (de zuidelijke grens van de staat Missouri, red.) slaafvrije staten zouden worden. Ook het compromis van 1850 werd door Clay gesteund. Toen werd onder meer bepaald dat Californië als vrije staat tot de Unie zou toetreden, ook al lag een deel van de staat ten zuiden van de 36° 30′-noorderbreedtegrens. Een andere bepaling was de omstreden Fugitive Slave Act, die elke steun aan ontsnapte slaven die naar het vrije Noorden waren gevlucht, verbood. In het Noorden was er veel verzet tegen deze wet, onder andere in de beroemde roman Uncle Tom’s Cabin (1852).
In Kansas barstte een miniburgeroorlog uit tussen voor- en tegenstanders van de slavernij
In 1854 kwam de Kansas–Nebraska Act tot stand, die bepaalde dat bewoners van nieuwe territoria zelf mochten beslissen of ze slavernij toestonden. Dit compromis maakte een einde aan de eerdere compromissen en zette de politieke verhoudingen op scherp. In Kansas barstte een miniburgeroorlog uit tussen voor- en tegenstanders van de slavernij, die de geschiedenis is ingegaan als ‘Bleeding Kansas’. De Whigs raakten als gevolg van de Kansas–Nebraska Act intern hevig verdeeld en de partij stortte in. Hun poging om boven de morele en politieke strijd te blijven hangen maakte hen irrelevant.
In het politieke vacuüm dat volgde, bloeiden kortstondige protestbewegingen op. De bekendste was de Know Nothing-partij, officieel de American Party. Deze beweging keerde zich fel tegen katholieke immigranten uit Ierland en Duitsland en zag hen als een bedreiging voor het ‘oorspronkelijke’ WASP (White, Anglo-Saxon, Protestant)-karakter van de Verenigde Staten.
De Know Nothings waren geen oplossing voor de slavernijkwestie, maar boden wel een tijdelijk onderkomen voor kiezers die genoeg hadden van de oude partijen. Hun succes laat zien hoezeer het partijstelsel in crisis verkeerde. Toen slavernij definitief het politieke debat ging domineren, bleek nativisme onvoldoende samenbindend. De Know Nothings implodeerden vrijwel net zo snel als ze waren opgekomen.
De Republikeinse Partij ontstond in 1854
Uit de brokstukken van Whigs, de zogenoemde Free Soilers, antislavernij-Democraten en voormalige Know Nothings ontstond in 1854 de Republikeinse Partij. Het was geen ideologisch zuivere beweging, maar een pragmatische coalitie. Wat hen verenigde, was de overtuiging dat slavernij een gevaar vormde voor de republiek, moreel, economisch en politiek.
De Republikeinen waren in hun tijd vooruitstrevend. Ze verdedigden vrije arbeid, sociale mobiliteit, onderwijs en een actieve overheid die infrastructuur en industrie stimuleerde. Ze zagen zichzelf als hervormers die een vastgelopen systeem wilden openbreken. Dat sommige leden ook nativistische of racistische opvattingen hadden, was geen tegenstelling, maar kenmerkend voor een negentiende-eeuwse hervormingsbeweging. Die was progressief op het ene terrein en reactionair op het andere. Interessant in dit verband zijn de militante jongerenclubs die Abraham Lincoln steunden, de zogenoemde Wide Awakes. De term Wide Awake kwam uit de Know Nothing-beweging en betekent ‘klaarwakker’. De Know Nothings waren klaarwakker en zagen daardoor het ‘gevaar’ van de Ierse katholieken en de paus; de Wide Awakes konden, omdat ze ‘wakker’ waren, het gevaar zien van de eerder genoemde Slave Power. Woke in de moderne zin van het woord waren de Republikeinse Wide Awakes absoluut niet.
Toen Abraham Lincoln in 1860 namens de Republikeinen werd gekozen, betekende dat niet alleen een machtswisseling, maar een systeemschok. Voor het eerst verloor het slavensysteem zijn greep op de federale regering. Voor veel zuidelijke leiders was dat onacceptabel. Zij kozen niet voor politieke oppositie, maar voor afscheiding.

De Burgeroorlog was dus geen ongeluk, maar het resultaat van een langdurige partijpolitieke implosie. De oude compromissen hielden geen stand meer. Nieuwe partijen kwamen op, oude verdwenen, en de Verenigde Staten moesten via oorlog uitvechten wat politiek onoplosbaar was geworden.
Politieke verschuiving
Na de Burgeroorlog bleef de Republikeinse Partij nog decennialang de partij van hervorming. Tijdens de Reconstruction Era (1865–1877) probeerden Republikeinen het Zuiden te hervormen, zwarte mannen stemrecht te geven en het federale gezag te versterken. Dat project stuitte echter op hevig verzet. Toen de noordelijke bereidheid om militair en politiek in te grijpen afnam, heroverden conservatieve witte elites in het Zuiden de macht. Zij sloten zich massaal aan bij de Democratische Partij, die daar uitgroeide tot een uitgesproken reactionaire partij van segregatie, statenrechten en witte suprematie. Het Zuiden werd de zogeheten Solid South. De regio was decennialang vrijwel automatisch Democratisch, maar ideologisch diep conservatief.
Tegelijkertijd veranderde de Republikeinse Partij zelf van karakter. Naarmate slavernij geen politiek strijdpunt meer was, verschoof de aandacht naar economische groei, industrialisatie en ondernemerschap. Republikeinen werden steeds meer de partij van het bedrijfsleven, hoge tarieven en een kleine overheid, vooral in sociaal opzicht. Progressieve Republikeinen bleven bestaan, maar kwamen steeds meer onder druk te staan. Theodore Roosevelt (president van 1901 tot 1909), die grote bedrijven wilde reguleren en sociale hervormingen nastreefde, belichaamde nog één keer de hervormingsgezinde traditie binnen de partij. Zijn breuk met de Republikeinen in 1912 en de oprichting van de mislukte Progressive Party markeerden symbolisch het einde van die fase.
De echte ideologische aardverschuiving kwam tijdens de Grote Depressie. Met zijn New Deal gaf president Franklin Delano Roosevelt (president van 1933 tot 1945) – een verre verwant van Theodore – de Democratische Partij een nieuw profiel. De federale overheid werd voortaan gezien als instrument om sociale ongelijkheid te bestrijden, werkgelegenheid te creëren en burgers te beschermen tegen de grillen van de markt. Vakbonden, minderheden, stedelijke kiezers en intellectuelen schaarden zich achter de Democraten. Daarmee werd de partij voor het eerst duidelijk links in sociaal-economische zin. Toch bleven de zuidelijke Democraten voorlopig aan boord, ondanks hun afkeer van federale inmenging en raciale gelijkheid.
Het verzet van zuidelijke Democraten tegen desegregatie en stemrecht voor zwarte Amerikanen leidde uiteindelijk tot een politieke breuk
Die spanning werd onhoudbaar toen Democratische presidenten na de Tweede Wereldoorlog steeds explicieter kozen voor burgerrechten, met president Lyndon B. Johnson (president van 1963 tot 1969) voorop. Het verzet van zuidelijke Democraten tegen desegregatie en stemrecht voor zwarte Amerikanen leidde uiteindelijk tot een politieke breuk. Vanaf de jaren zestig begonnen veel conservatieve zuiderlingen over te stappen naar de Republikeinse Partij, die zich profileerde als tegenstander van federale dwang en culturele liberalisering.
Zo voltrok zich in de loop van een eeuw een opmerkelijke politieke aardverschuiving. De partij die was opgericht om slavernij te bestrijden, werd het politieke thuis van conservatief Amerika, terwijl de Democratische Partij uitgroeide tot de belangrijkste drager van progressieve politiek.
Wie de hedendaagse Amerikaanse polarisatie, van MAGA tot Black Lives Matter, beter wil begrijpen, moet beseffen dat de strijd tussen Republikeinen en Democraten geen zwart-witverhaal is tussen rechts en links. Wat deze geschiedenis duidelijk maakt, is dat politieke partijen geen vaste ideologische entiteiten zijn. Ze veranderen mee met de grote morele en sociale breuklijnen van hun tijd. In de negentiende eeuw draaide die breuklijn om slavernij en de macht van de zogenoemde Slave Power. In de twintigste eeuw ging het om sociale zekerheid, burgerrechten en de rol van de federale overheid. En vandaag de dag staan identiteit, cultuur en democratische instituties centraal.
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

