Telegraaf-journalist Wierd Duk wil een conservatieve beweging smeden van christenen en seculieren. Maar heeft zo’n project in Nederland wel politieke, historische en theologische grond? Twee experts hebben zo hun twijfels.
Wierd Duk wil iets nieuws beginnen. Eind vorig jaar riep de Telegraaf-journalist op tot het vormen van een conservatieve beweging die christenen en seculiere conservatieven samenbrengt. Hij laat zich hierbij inspireren door Turning Point USA van wijlen Charlie Kirk, een trumpiaanse influencer die vorig jaar werd vermoord. Duks oproep wordt dan ook gesteund door de populaire jonge evangelist Daniël van Deutekom, oprichter van God First en Turning Point Nederland.
In Duks ideale wereld vinden verontruste kerkgangers, cultuurconservatieven en rechts-populistische denkers elkaar in een gezamenlijk front tegen wat zij zien als moreel en maatschappelijk verval. Maar bestaat er in Nederland wel een vruchtbare bodem voor zo’n alliantie?
Twee soorten conservatisme
Volgens conservatisme-kenner Ronald van Raak, hoogleraar filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, is dat allerminst vanzelfsprekend. Sterker nog, hij betwijfelt of je in Nederland überhaupt van een coherente conservatieve traditie kunt spreken.
Er zijn volgens hem twee definities van conservatisme. ‘Je kunt het allereerst zien als behoudzucht: het bewaren van wat je hebt bereikt. Als je conservatisme zo opvat, dan wordt elke succesvolle politieke beweging uiteindelijk conservatief. Sociaaldemocraten zijn conservatief omdat ze de verzorgingsstaat willen behouden, confessionelen omdat ze het bijzonder onderwijs niet willen afschaffen en liberalen omdat ze de vrije markt willen beschermen.’
‘Liberalen zetten vrijheid centraal, socialisten gelijkheid, maar beide gaan uit van de gelijkwaardigheid van mensen’
Maar conservatisme kun je ook opvatten als een ideologie, vervolgt Van Raak. ‘Het klassieke conservatisme gaat uit van een natuurlijke orde, van een natuurlijke ongelijkheid tussen mensen, waarin iedereen zijn rol heeft in de sociale hiërarchie. De samenleving wordt gezien als een lichaam waarin elk onderdeel zijn plaats heeft. Wie daar te veel aan tornt, brengt het geheel in gevaar. Dat wereldbeeld botst fundamenteel met het politieke denken in Nederland. Liberalen zetten vrijheid centraal, socialisten gelijkheid, maar beide gaan uit van de gelijkwaardigheid van mensen. Conservatisme als ideologie past daar slecht tussen.’
Historisch gezien had het Nederlandse conservatisme bovendien weinig om op terug te vallen. ‘In landen als Engeland of Pruisen (het latere Duitsland, red.) wortelde het conservatisme in een sterke adel die haar privileges wilde behouden. Nederland kende zo’n machtige landadel nauwelijks, zeker niet in het westen van het land. Pogingen tot conservatieve politieke organisatie na 1848, vaak in reactie op de grondwet van Johan Rudolph Thorbecke, bleven beperkt en fragmentarisch.’
Wel succes had de conservatieve, maar toch vooral religieuze antirevolutionaire beweging, later partij, van Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper. Maar zij legden zich neer bij het parlementaire stelsel. Kuyper omarmde het zelfs volledig en werd modern, niet conservatief in klassieke zin.
Dat verklaart mede waarom Nederland nooit een uitgesproken conservatieve partij heeft gehad. Er zijn wel partijen met conservatieve elementen, zoals de Staatkundig Gereformeerde Partij en Forum voor Democratie, maar die zijn óf primair religieus, óf ideologisch eclectisch en deels libertair. Van Raak ziet JA21, de PVV en zelfs GroenLinks eerder als varianten van liberalisme dan als conservatisme: vrijheid en individualisme blijven voor deze partijen uiteindelijk het uitgangspunt. ‘Stickertjes plakken is sowieso lastig’, zegt hij. ‘Groepen en partijen zijn intern veel diverser dan het etiket suggereert.’
Tegen die achtergrond oogt het initiatief van Wierd Duk volgens Van Raak vooral als een poging om een onderstroom te organiseren die tot nu toe versnipperd bleef. Mogelijk speelt ook mee dat onder jongeren weer meer belangstelling is voor religie, vaak in radicalere vormen. Kerken weten die jongeren niet altijd te bereiken, waardoor nieuwe bewegingen in dat gat kunnen springen. Maar of Nederland zit te wachten op een ideologisch georganiseerde conservatieve denktank of beweging, zoals de Edmund Burke Stichting van de conservatieve intellectueel Bart-Jan Spruyt dat rond het jaar 2000 probeerde te zijn, betwijfelt hij. ‘Het Nederlandse politieke systeem is pragmatischer. We hebben planbureaus en adviesraden, geen ideologische denktanks zoals in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.’
Een passend geloof bij je politieke keuze
Theoloog Stefan Paas kijkt met een ander soort scepsis naar het initiatief. Niet zozeer politiek, maar theologisch. Hij plaatst Duks plannen in een bredere internationale context, waarin figuren als de Amerikaanse activist Charlie Kirk een belangrijke rol spelen. Kirk is volgens Paas een gelaagd fenomeen: aan de ene kant een harde culture warrior, aan de andere kant iemand met een zichtbaar persoonlijk geloofsleven. ‘Hij ging naar de kerk, bad, sprak openlijk over zijn geloof. Dat maakt het ingewikkelder. Hij was niet iemand die puur cynisch religie inzette.’
Juist dat onderscheid maakt Paas niet honderd procent negatief over Kirk, maar des te sceptischer over de pogingen om dat model naar Nederland te importeren. Daniël van Deutekom, die zichzelf presenteert als de Nederlandse Charlie Kirk, wil samen met Wierd Duk een nieuwe conservatieve beweging vormen. Maar daarin schuilt volgens Paas een fundamenteel risico: de politisering van het geloof. ‘Normaal gesproken laat je je geloof – je diepste overtuigingen en morele vragen – doorwerken in je politieke keuzes. Hier dreigt het omgekeerde: eerst je politieke stam kiezen, om daar vervolgens een passend geloof bij te zoeken.’
Paas ziet dat gevaar breder, ook bij radicaal-rechtse bewegingen die christelijke symboliek inzetten zonder duidelijke inhoudelijke binding met het christendom. In landen als Duitsland en Frankrijk, maar ook in Nederland, fungeert ‘christelijk’ dan vooral als cultureel markeringspunt, vergelijkbaar met verwijzingen naar de VOC of Zwarte Piet. Het geloof wordt een identiteitslabel, geen bron van morele zelfkritiek. ‘Wat betekent christelijk dan nog?’ vraagt Paas zich retorisch af. ‘Niet veel meer dan een symbool.’
Hij wijst op bekeerlingen als Ayaan Hirsi Ali en Eva Vlaardingerbroek. Bij de eerste ging het ook om een persoonlijke zoektocht, maar bij Vlaardingerbroek is het geloof duidelijk ondergeschikt aan haar politieke keuze voor uiterst rechts. De bekering is in beide gevallen ingebed in een bepaald politiek spectrum. ‘Als een links iemand opeens christelijk wordt, zal die waarschijnlijk de Bergrede herontdekken.’
Onderzoek laat volgens Paas zien dat de uiterste rechterflank gemiddeld juist sterker geseculariseerd is dan de rest van de bevolking. Regelmatige kerkgangers stemmen zelden radicaal rechts. Zij kiezen eerder voor confessionele partijen, ook als zij inhoudelijk conservatief zijn. Voor veel gelovigen gaan PVV-achtige partijen simpelweg te ver. ‘Dat verklaart ook de koele reactie vanuit de hoek van het Reformatorisch Dagblad op Duks initiatief. Men is het op sommige punten misschien eens met de Telegraaf-journalist, maar voelt weinig behoefte om na zijn oproep meteen in de houding te springen.’
‘Rechts heeft namelijk al een enorme media-infrastructuur’
Heeft een conservatieve beweging in Nederland dan kans van slagen? Paas is uitgesproken pessimistisch. ‘Volstrekt kansloos’, zegt hij. ‘Wat resteert is vooral een kring van gelijkgestemden die het gezellig met elkaar hebben, maar politiek weinig toevoegen. Rechts heeft namelijk al een enorme media-infrastructuur. Denk aan de Telegraaf, WNL, Ongehoord Nederland, Nieuws van de Dag, Vandaag Inside.
Daar komt bij dat het Nederlandse politieke systeem juist ruimte biedt aan nuance en versplintering, vervolgt Paas. ‘Anders dan in een tweepartijenstelsel hoeft niemand hier te kiezen tussen twee uitersten. Dat maakt polarisatie minder dwingend, maar ook ideologische mobilisatie lastiger dan in een land als de Verenigde Staten.’
Paas benadrukt tot slot dat het christendom zich principieel slecht laat vangen in links-rechts-schema’s. ‘De traditie is te rijk, te tegenstrijdig zelfs. Het christendom staat voor radicale sociale gerechtigheid, maar ook voor scherpe morele grenzen, bijvoorbeeld over abortus. Als je geloof voor een politiek karretje spant, doe je het geloof tekort.’
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

