Volgens Islamitische Stichting Nederland (ISN) voelden bezoekers van de Mevlana-moskee in Rotterdam zich vorige week onveilig doordat de politie niet direct ingreep bij vernielingen en intimidatie. Opvallend is het verschil met een aanslag op een Rotterdamse synagoge eerder dit jaar, waarbij de politie meteen in actie kwam en politici zich uitspraken.
Met het uitblijven van politie-inzet tijdens de vernielingen en intimidatie tegen de Mevlana-moskee in Rotterdam afgelopen week kwam de veiligheid van bezoekers van de moskee in het geding evenals hun recht om zonder angst hun geloof te belijden, schrijft Islamitische Stichting Nederland (ISN) in een reactie op het handelen van de politie.
Vorige week, in de nacht van donderdag op vrijdag, richtte een groep van zes mannen vernielingen aan bij de moskee in Rotterdam-Delfshaven. De mannen gooiden bierflesjes en verkeerspionnen naar het gebedshuis, waarmee zij een mozaïekmuur vernielden. Ook urineerden en spuugden zij richting het gebedshuis. De bezoekers die in de moskee aanwezig waren, hoorden geschreeuw en harde geluiden als gevolg van het gooien van voorwerpen tegen het gebouw, waarop zij de politie belden.
‘Mede gelet op het huidige maatschappelijke klimaat en de toenemende agressie tegen moslims en moskeeën, voelden de bezoekers zich ernstig bedreigd en in het nauw gedreven’, schrijft ISN in een persbericht.
Toen de moskeegangers de politie belden, kregen zij te horen dat er op het kritieke moment geen politie-eenheid beschikbaar was. Volgens ISN was de beslissing om niet direct een eenheid naar de moskee te sturen onbegrijpelijk, en werd het incident kennelijk niet als voldoende dreigend beoordeeld.
‘De veiligheid van bezoekers van gebedshuizen en het recht om ongestoord en zonder angst een geloof te kunnen belijden, dienen te allen tijde te worden beschermd. Het uitblijven van politieondersteuning tijdens een dergelijk incident geeft een onjuist en zorgwekkend signaal af aan degenen die zich schuldig maken aan intimidatie en geweld tegen gebedshuizen’, schrijft ISN.
‘ISN roept de politie, de gemeente Rotterdam en de betrokken veiligheidsdiensten op om dit incident met de hoogste prioriteit te onderzoeken, de vermoedelijke daders te identificeren en op te sporen, en volledige duidelijkheid te verschaffen over de afhandeling van de meldingen bij de 112 meldkamer. Wanneer een gebedshuis wordt aangevallen en aanwezigen zich bedreigd voelen, dient snel en adequaat te worden opgetreden’, schrijft de organisatie.
Verschil met synagoge
Terwijl burgemeester Carola Schouten het incident verafschuwde en aangaf dat de vernielingen en intimidatie ‘haaks staan op de waarden van respect en vrijheid van godsdienst’, is het verschil met de maatschappelijke reacties op vernielingen van synagogen opmerkelijk.
Afgelopen maart werd een synagoge in Rotterdam-Blijdorp getroffen door explosie en brand. De politie bekeek direct na de explosie camerabeelden, zocht in de omgeving naar de daders en doorzocht woningen van verdachten. Kort na de brand werden vier tieners opgepakt en mochten daarna alleen contact hebben met hun advocaat. Het Openbaar Ministerie verdacht hen van het veroorzaken van een explosie, brandstichting en poging tot brandstichting, allemaal met een terroristisch oogmerk. De politie zette een groot rechercheteam in op het onderzoek.
De aanval leidde tot geschokte reacties. Als snel werd gewezen naar ‘een breder patroon van antisemitisme’. Premier Jetten veroordeelde de aanslag en zei: ‘Laat duidelijk zijn dat er in ons land geen plaats is voor antisemitisme. Geen plaats voor welke vorm van haat en discriminatie tegen welke minderheid dan ook. Het zijn gewoon onze Joodse Nederlanders en daar blijf je met je poten van af.’
Een dergelijke reactie bleef uit na het incident bij de Mevlana moskee.


