11.5 C
Amsterdam

Mijn laatste column over de Marokkaan van toen

Lees meer

Tijd voor de jaarlijkse APK. Ik schrijf deze column vanuit een garage. De Marokkaanse monteur schenkt koffie voor me in. Zijn stagiair – een jongen met staalblauwe ogen en een oorbel – komt binnengelopen. In zijn kleine bureautje ligt het opgevouwen bidkleed naast een autoband. De geur van olie en rubber.

Het brengt me terug naar de jaren tachtig, toen ik als slagerszoon op maandagavond wacht moest houden in de slagerij, in afwachting van mijn vader, die ergens in Brabant bij een slachterij, waarvan hij alleen het adres wist, geitenvlees haalde. Ook hij had een kantoortje in de zaak. Je kwam er via eenzelfde steil trappetje als ik net ben opgegaan. Vanachter een stalen bureau keek ik uit over de winkel – het adelaarsnest.

Ik was twaalf, dertien jaar. Mijn vader had ook een knecht, een achterneef die een paar jaar ouder was. Hij verdreef de verveling door te bellen met wat ik vermoed dat een vriendinnetje was. De telefoon hing naast het trappetje. Ik hoorde hem zoete woordjes zeggen. Het was maar heel kort, een gestolen moment.

Met de monteur bespreek ik de toestand in Marokko. De exodus van Marokkanen naar Ceuta, de gapende kloof tussen arm en rijk, de verkiezingen waarvoor maar heel weinig mensen kwamen opdagen. Hij heeft familie in Spanje wonen, in een klein stadje in het binnenland waar ze elkaar allemaal kennen. De gemeenschap heeft er twee moskeeën, want één was niet genoeg.

Een Marokkaanse vader fluisterde dat hij in Friesland was gaan varen

Terwijl ik in gedachten reis tussen Marokko, Spanje en mijn Rotterdamse jeugd, bekruipt me het gevoel dat dit misschien mijn laatste column over Marokkanen zou kunnen zijn. Of laat ik het anders zeggen door met u te delen dat ik denk dat Marokkanen een nieuwe fase ingaan.

De Marokkaan die in de jaren tachtig, negentig zijn weg zocht in het paradijs van verlangens dat Nederland is, is niet de Marokkaan van vandaag de dag. Ik zat daar als jochie aan het bureau te wachten op mijn vader, maar wanneer hij zou komen, wist ik niet – en dat karakteriseert wel een beetje het levensgevoel: wachten zonder te weten wat je te wachten stond.

De Marokkaan van nu wacht niet meer. Die is in beweging, laat van zich horen en bijt van zich af. En als we wachten, dan is dat in het besef dat het wachten een scherp begin en einde kent, zoals ik zag toen ik mijn kinderen naar de atletiek bracht, waar tientallen kinderen met een Marokkaanse achtergrond vrij het spel aangingen met elkaar.

Aan de kant stonden de ouders te wachten, met de armen over elkaar, sommigen met elkaar in gesprek. Ik herkende ouders die vroeger snelle hardlopers waren geweest. We wachten onder een waterige zon geduldig tot onze kinderen zijn uitgespeeld, om ze daarna naar huis te brengen.

De Marokkaanse ouders werken allebei. Hun kinderen weten niet beter of er is altijd wel iemand aan de slag. Kinderen krijgen dramales, bijles, Marokkaanse les, zwemles. Een Marokkaanse vader fluisterde dat hij in Friesland was gaan varen. Het beviel hem wel.

In gedachten zie ik dat jongetje aan het bureau zitten terwijl ik deze column afsluit. De APK zit er bijna op. Deze monteur werd me getipt door een Marokkaanse vriend wiens zoon planologie aan de universiteit studeert.

Er is een oneindig netwerk van losse verbanden ontstaan waarin we elkaar bijna blindelings lijken te vinden. Dat het zo vanzelfsprekend voelt, is misschien wel het grootste wonder.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -