De pauschalisering van hoofddoeken

Foto: Reuters

Vorige week nam ik deel aan een discussie in Zürich over de ‘problematisering van de islam’. De discussie vond plaats in het Duits en er werd een interessant begrip gebruikt: Pauschalisierung. Volgens het woordenboek is dat homogenisering of standaardisering, maar in de discussie had het begrip een veel interessantere betekenis. Bedoeld werd het buitensluitende effect dat een standaardregeling of voorschrift heeft voor mensen die om wat voor reden dan ook niet in het standaard beeld passen of die zich nieuw aandienen. Er wordt een bepaald algemeen beleid of voorschrift ontwikkeld en daarbij wordt geen rekening gehouden met mensen die anders zijn. Daarmee wordt een algemene bepaling dus een vorm van uitsluiting. Dat kan bewust zijn, maar het is veel vaker omdat de opstellers van dat beleid een bepaald soort mensen voor ogen hebben en anderen ‘niet zien’.

Het is dus subtieler dan discriminatie, expliciete uitsluiting. Bij pauschalisering is er iets anders aan de hand. Denk aan een publieke ruimte die niet toegankelijk is voor rolstoelen. Vroeger was dat algemeen. Het kwam gewoon niet bij ontwerpers op om met gehandicapten rekening te houden. Tegenwoordig is er een brede consensus dat gehandicapten volwaardig aan de samenleving moeten kunnen deelnemen. De discussie die onlangs losbarstte over vrouwelijke wildplassers is ook een goed voorbeeld. In de stad zijn niet genoeg openbare toiletten voor vrouwen. De bedenkers van openbare toiletten zijn mannen en het kwam kennelijk niet bij hen op dat vrouwen wellicht ook wel eens moeten plassen.

Om die ‘normaliteit’ te doorbreken moet protest worden aangetekend tegen deze subtiele vormen van uitsluiting. Als dat gebeurt zijn er meestal twee reacties, een pragmatische (‘je kunt toch niet overal rekening mee houden’) en een inhoudelijke (‘dit is de normale gang van zaken’). Juist het ter discussie stellen van wat ‘gewoon’ is roept veel conservatieve weerstand op, zo weten we. Ook de Zwarte Piet-discussie gaat over pauschalisering. In dat geval wordt dan gezegd dat het een kinderfeest en een traditie is, dus doe niet zo moeilijk. Maar juist die pragmatische houding is enorm moeilijk te bestrijden.

Dat er sprake is van discriminatie wordt zo ontkend en er wordt juist daarom geweigerd de zaken recht te zetten. Er zit dus een bepaald idee achter over hoe de samenleving eruit moet zien en wat ‘normaal’ is, maar die wordt eigenlijk pas uitgesproken als er reuring ontstaat, als tegenstanders de vanzelfsprekendheid aan de kaak stellen en wanneer het een publieke zaak wordt.

Ik moest onmiddellijk denken aan de recente ophef in de media in Nederland over de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens over de hoofddoek van politieagente Izat. Ook in deze krant werd uitgebreid gediscussieerd over vraag of de politie al of niet terecht verbood dat zij een hoofddoek bij haar uniform zou dragen. Daarbij draaide het om het begrip neutraliteit. Dat kan best een belangrijk thema zijn, maar ik geloof dat er nog iets anders aan de hand was.

Er wordt een algemeen (kleding)voorschrift ontwikkeld en daarbij wordt geen rekening gehouden met verschillen tussen mensen, omdat die gewoonweg niet bij de beleidsmakers op het netvlies staan. Bedenk dat er een tijd was dat een politie-uniform per definitie een mannenuniform was. Toen en ook nu worden dus bepaalde groepen mensen uitgesloten en moeten er klokkenluiders zijn die dat aan de kaak stellen. En dan komen degenen die geen verandering willen met gelegenheidsargumenten op de proppen.

Een vergelijkbare discussie vond ooit plaats over de vraag of vrouwen wel in staat waren bepaalde functies uit te oefenen, omdat hun objectiviteit en professionaliteit niet gegarandeerd was. Vrouwen waren van nature emotioneel en hadden een gebrek aan zakelijk inzicht, zo vonden mannen. Die kon je dus niet politieke of professionele verantwoordelijkheid geven. Aletta Jacobs probeerde in 1883 tevergeefs om op de kieslijst van de Amsterdamse gemeenteraad te worden gezet. Het antwoord was even veelbetekenend als relevant voor de hoofddoekdiscussie van nu. Algemeen kiesrecht was kiesrecht voor mannen zonder dat dat met naam en toenaam genoemd werd. ‘Dat was nu eenmaal zo.’ Het heeft nog heel wat jaren gekost zoals we weten voordat het ‘algemeen’ kiesrecht ook betrekking had op vrouwen.

Nu is het neutraliteit die weer eens van stal wordt gehaald. Natuurlijk vragen we van mensen in openbare functies onpartijdigheid, maar daar gaat het helemaal niet om. Het gaat erom dat vanzelfsprekendheden aan de kaak moeten worden gesteld, in dit geval over de onpartijdigheid van moslims. Dat gaat helaas niet zonder slag of stoot. Dat zal alleen veranderen door ertegenaan te schoppen.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.