Hoe islam gebruikt wordt als product

Foto: AP

De aanslag in Manchester op 22 mei kostte 22 jonge mensen het leven. De dader Salman A. bleek een aan de grond geraakte kleine crimineel die van drank en uitgaan hield en op zeker moment was vastgelopen in zijn leven. Een gruwelijk drama, maar voor de nabestaanden even erg als voor die van de slachtoffers van de verknipte Tristan van der V. die in 2011 willekeurige voorbijgangers in een winkelcentrum in Alphen aan den Rijn doodschoot. Of de slachtoffers van een andere verknipte geest Karst T. die in 2009 op Koninginnedag in Apeldoorn een aanslag op de koninklijke familie wilde plegen en met zijn auto op de menigte inreed. Of de schietincidenten op scholen in Amerika. In veel opzichten ook vergelijkbaar met de dader van de kerstmarkt-aanslag in Berlijn of die in Nice in 2016, eveneens gepleegd zo bleek achteraf door ernstig verknipte geesten. Dat geldt ook voor de eenling Anders B. in Noorwegen die in 2011 een enorm bloedbad aanrichtte. Voor nabestaanden en anderen die getuige waren van de gebeurtenissen allemaal even gruwelijk en traumatisch zou je denken. Of toch niet?

Anders dan bij gecoördineerde aanslagen zoals in Brussel en Parijs zijn acties van eenlingen problematische gevallen voor opsporingsambtenaren maar ook voor de media. Aanslagen van eenlingen worden in sommige gevallen weggezet als het werk van, inderdaad, verknipte geesten. Voer voor psychologen. Dat iemand als Van der V. ondanks zijn geestelijke gesteldheid lid van een schietvereniging kon zijn, was een fatale maar ‘verklaarbare’ inschattingsfout. Het geval Van der V. wordt het liefst zo snel mogelijk gearchiveerd. Er wordt nog wat na geprutteld in de media over falende zorg en de staatssecretaris belooft beterschap. Daarmee is de kous af. Hetzelfde zien we bij de schietincidenten in Amerika. Even laait de discussie over wapenbezit op, maar daarna wordt de zaak zo snel mogelijk vergeten. Zelfs in het geval van Anders B. zijn extreem-rechtse sympathieën gebagatelliseerd.

Hoe anders is dat wanneer de dader de geradicaliseerde zoon van Libische vluchtelingen is, die net als de daders van de aanslagen in Nice en Berlijn sympathieën zou hebben gehad voor IS. We zien hier iets heel anders gebeuren. Beelden van de aanslagen, de islamitische achtergrond van de dader, het eventuele ideologische motief worden juist uitvergroot en extreem zichtbaar gemaakt. De éénling wordt onderdeel gemaakt van iets veel groters. In de journalistiek en de communicatiewetenschap wordt dat framing genoemd, een proces van toewijzing van kenmerken in dit geval aan een aanslag. Dat is natuurlijk voor een deel gebaseerd op feiten die naar boven komen, maar minstens zo belangrijk is branding.

De islam wordt als het ware de merknaam van een product dat verkocht moet worden. Dat levert de ‘verkoper’ voordelen op, in de vorm van aandacht, prestige, invloed, gezag en wellicht ook financieel. De vergelijking tussen een artikel in de schappen van de supermarkt en de islam gaat natuurlijk in veel opzichten mank, maar deze benadering geeft wel een goed inzicht in hoe een aanslag als die in Manchester tot een verhaal wordt opgetuigd waar allerlei verschillende partijen hun voordeel mee doen. Beter gezegd er worden verschillende verhalen aan die gebeurtenis geplakt. Branding dient verschillende vaak tegenstrijdige belangen en is van grote invloed op de beeldvorming van de islam.

Anders dan met een artikel in de supermarkt zitten er aan het ‘verkopen’ van de islam geen wettelijke beperkingen voor gebruik. Iedereen kan de naam van dat merk zich toe-eigenen en voor eigen doeleinden gebruiken. Dat kunnen natuurlijk opsporingsinstanties zijn of NCTV-baas Dick (Bromsnor) Schoof die waarschuwt voor nog meer gevaar. Of journalisten, gebruikers van sociale media, wetenschappers, politici en niet te vergeten groepen als IS die dankbaar gebruik maken van de aanslag door het op te eisen.

Al deze groepen hebben hun eigen agenda en hun eigen motieven om de islam op een bepaalde manier te verkopen. Branding is met de digitalisering van de samenleving steeds omvangrijker, onoverzichtelijker en vooral oncontroleerbaarder geworden. De vraag is dan of dit verontrustende ontwikkelingen zijn en wat er dan gedaan zou moeten worden. Het afspreken van gedragscodes en voorwaarden voor gebruik zijn volstrekt niet relevant en zelfs nogal naïef. Branding is eerst en vooral iets van deze tijd en het beste remedie tegen het misbruiken van zo’n tragische gebeurtenis voor eigen gewin, is er zelf aan mee te doen en ook gebruik te maken van de gelegenheid. Iets doen dat aandacht trekt en zo proberen die beeldvorming te beïnvloeden.

Een prachtig voorbeeld is het hug a Muslim-initiatief dat je nu overal op straat ziet gebeuren. Een geblinddoekte moslim met een bord die voorbijgangers om een knuffel vraagt. Onbenullig? Allerminst. Effectief? In elk geval is het beter dan niets doen en die anderen hun gang laten gaan.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.