Internationale Dag Tegen Taboes

Foto: Zihni Ozdil en Sid Lukassen
Wij hebben de moed nodig om onze onzekerheid onder ogen te zien.

We zouden een Internationale Dag Tegen Taboes moeten introduceren. Een dag per jaar zouden wij in staat moeten zijn om onze grootste angsten, afwijkende standpunten en vergezichten met de rest van de wereld te delen. Een soort 1 aprilgrap, maar dan voor serieuze zaken. Omdat ik, voor zover ik weet, de eerste pleitbezorger ben voor deze bijzondere dag, wil ik bij dezen twee taboes doorbreken en toelichten.

Het eerste taboe: ‘Het diversiteitsdebat is een afleidingsmanoeuvre.’ Ik probeer het gesprek over diversiteit steeds te vermijden. In Amsterdam natuurlijk, maar ook in de media, het bedrijfsleven en de politiek wordt al sinds de jaren negentig van de vorige eeuw een gesprek gevoerd over het belang van diversiteit. Maar in realiteit gaat het om een afvinkmentaliteit. Als je maar een zogenaamde bi-culturele Nederlander op een belangrijke post hebt dan kun je daarmee altijd te koop lopen. ‘Kijk maar, wij hebben Aboutaleb, Arib, Ali B. of Ziyech in ons team’, zeg je dan, om te laten zien hoe geweldig je het doet wat diversiteit betreft. Maar deze focus op diversiteit als marketingstrategie gaat ten koste van individueel talent. Want, wat hebben Ziyech of Arib met het woord diversiteit? Zijn ze niet toevallig goed in hun vak? Zijn we soms vergeten welke tegenslagen Arib moest ondergaan om die positie van het voorzitterschap in de Tweede Kamer te bereiken? Zijn wij de geruchten van collega’s over haar taalbeheersing vergeten?

Deze week zagen we weer hoe selectief mensen met diversiteit omgaan. De fractie van GroenLinks in de Tweede Kamer besloot Zihni Özdil de deur te wijzen, nadat gebleken was dat hij niet binnen de lijntjes wilde kleuren. De GroenLinks-fractie was in etnisch opzicht lekker divers, maar die diversiteit gold niet voor de inhoud. Iedereen moest zich aan de politieke spelregels houden. Dus donder op met je diversiteit. Ja, ik heb het gezegd. Taboe doorbroken.

Het tweede taboe: ‘Links heeft geen monopolie op antiracisme.’ In Nederland en elders in de wereld wordt het woord antiracisme vooral met linkse mensen geassocieerd. Je weet wel, mensen die met spandoeken de straat op gaan om revolutie te eisen, het systeem van onderuit te willen breken. Deze associatie is om meerdere redenen logisch. Maar het is tegelijkertijd belangrijk om te benadrukken dat rechtse mensen, en mensen van het politiek midden, ook antiracistisch kunnen zijn. Sterker nog, ze moeten antiracistisch zijn. Strijden tegen racisme is te belangrijk om aan één politieke kamp over te laten.

Regelmatig zie ik linkse mensen vol walging reageren als mensen met een migratieachtergrond – zoals VVD-politicus Malik Azmani of de Belgische N-VA-politica Assita Kanko – zich bij een rechtse partij aansluiten. Deze mensen zouden zich bij racistische partijen aansluiten, partijen die mensen die op hen lijken uitsluiten. De realiteit leert echter dat links vooral praat en rechts handelt. In het bestrijden van racisme, discriminatie en andere vormen van uitsluiting hebben we niet alleen praters en denkers nodig, maar ook doeners en onderhandelaars. Zo vul je elkaar aan.

Het punt is helder. Er wordt van mij verwacht, omdat ik een migratieachtergrond heb, bepaalde standpunten te vertolken. Ik moet voor hersenloze diversiteit pleiten en rechtse mensen en politieke partijen veroordelen. Taboes zijn onderwerpen en standpunten die men vanwege de heersende sociale consensus niet durft te doorbreken. Maar de realiteit is complexer dan de maatschappelijke consensus. Soms hebben onze politieke tegenstanders een punt. Soms weten we niet hoe zaken precies in elkaar steken. Wij hebben de moed nodig om onze onzekerheid onder ogen te zien. Ik heb met mijn twee genoemde taboes een opzetje gedaan, de bal ligt nu bij jullie. Op naar die Internationale Dag Tegen Taboes.