Mijn opa

Foto: Reuters

Precies een eeuw geleden werd in de kleine Poolse stad Bochnia een jongetje geboren met de naam Hirsch Melech Bleich. Zijn vader Arjeh was ritueel slachter, zijn moeder Bertha huisvrouw. Omdat er tijdens de Eerste Wereldoorlog in Polen werd gevochten tussen de Duitsers en de Russen, besloten Arjeh en Bertha dat het beter was om te emigreren. Herman was een baby toen ze per trein in de derde klasse naar Berlijn gingen. Ze kwamen terecht in het Scheunenviertel, een wijk die voornamelijk werd bewoond door Joden uit Polen, Rusland en Litouwen. Zijn ouders waren chassidisch, zeer streng orthodox-joods. Herman, zoals Hirsch Melech zichzelf noemde, had het daar al vroeg moeilijk mee. Hij was namelijk dol op voetballen en dat wilde hij eigenlijk ook op zaterdag doen. Maar omdat hij de joodse rustdag, de sabbat, moest respecteren, was dat uit den bozen. Aan het einde van de jaren dertig kreeg hij zulke hevige ruzies met zijn ouders over zijn socialistische idealen, dat hij de deur achter zich dichtrok en uitriep dat hij hen nooit meer wilde zien. Hij wist op dat moment niet dat hij ze daadwerkelijk nooit meer zou zien.

Herman vertrok naar Den Haag. In Nederland ontmoette hij Helen Kornmehl, een Joods meisje uit Wenen, met wie hij een relatie kreeg. Lang konden ze niet van hun prille geluk genieten, want al snel werd Nederland bezet door de nazi’s. In 1942 besloten ze te vluchten. Herman schreef af en toe voor een Zwitserse krant als freelance journalist, dus Zwitserland was, naast het feit dat het neutraal was in de oorlog, een logische keuze. Binnen een paar weken bereikten ze Lyon in Vichy-Frankrijk waar ze een kamer huurden. Nadat een buurtbewoner hen had verraden voor een paar Franc werden ze door de politie opgepakt en naar Rivesaltes gestuurd, een klein doorgangskamp waar treinen naar het Franse Westerbork, Drancy, gingen.

In Rivesaltes gebeurde een wonder. Zodra ze het kamp binnenkwamen zei Herman op hoge toon in het Duits tegen de bewaker dat hij onmiddellijk de commandant van het kamp wilde spreken. De Franse gendarme wist niet precies hoe het zat en besloot Herman naar de commandant te brengen. Daar riep Herman woedend dat het werkelijk een schandalig misverstand was dat hij en zijn vrouw hiernaartoe waren gebracht, omdat hij een zeer belangrijke Zwitserse journalist was en helemaal geen Jood. Hij eiste dat hij mocht telefoneren met de Zwitserse consul in Vichy voor opheldering. Herman kende die consul helemaal niet en hij was ook geen bekende journalist. De commandant stond niet toe dat een gevangene zou telefoneren, maar Herman mocht bij hoge uitzondering een telegram aan de consul sturen. En dat deed mijn opa: ‘Geheel per ongeluk in Rivesaltes terechtgekomen. Vraag om uw medewerking. Schrijf voor bekende Zwitserse kranten.’ De consul begreep kennelijk dat er levens op het spel stonden en telegrafeerde terug: ‘Ja, deze man ken ik goed. Onmiddellijk vrijlaten!’ Meteen daarna klommen Herman en Helen met de hulp van een mensensmokkelaar over een bergpas en zo kwamen ze uiteindelijk terecht in een Zwitsers vluchtelingenkamp.

De laatste dagen denk ik vaak aan dit verhaal. Hirsch Melech Bleich was mijn opa. Door bluf en moed wisten hij en mijn oma de Holocaust te overleven en zo hebben ze mij indirect de kans gegeven geboren te kunnen worden. Mijn opa zou afgelopen maandag honderd jaar zijn geworden. Hoewel hij tijdens de oorlog het grootste deel van zijn familie verloor is hij nooit bij de pakken neer gaan zitten, hij heeft de rest van zijn leven gestreden tegen discriminatie. Ook al leeft hij allang niet meer, ik blijf ongelooflijk trots dat ik ooit zijn kleindochter heb mogen zijn.

DELEN
Natascha van Weezel
Schrijver. Filmmaker.