Oliegeld in de moskee

Foto: Reuters

Om de zoveel tijd laait de discussie weer op over de financiering van moskeeën. De aanleiding deze keer was de berichtgeving over de Utrechtse moskee al-Fitrah die de gemeente onjuist zou hebben voorgelicht over hun financieringsbronnen. Naar aanleiding daarvan verschenen berichten over de ondoorzichtigheid van de financiering van moskeeën in het algemeen. Ondanks dat er grondwettelijk niets is in te brengen tegen het feit dat moskeeverenigingen subsidies ontvangen uit buitenlandse bronnen, vaak stichtingen in de rijke Golfstaten, bestaat er een tamelijk breed gedeelde afkeer van dit soort geldstromen. Redenen daarvoor zijn steeds de invloed die dat soort geldschieters op Nederlandse moskeeën zouden krijgen, en zo, daar gaan we weer, salafistisch gedachtegoed zouden propageren. In veel van de berichten worden financieringsbronnen, al of niet bewust, op een hoop gegooid. Of het nu gaat om een onschuldige subsidie voor de bouw van een moskee of de verspreiding van jihadistische propaganda, het is kennelijk allemaal één pot nat. Daarnaast wordt de financiële handel en wandel van moskeeën omschreven als ondoorzichtig. Wat daarmee wordt bedoeld is voltrekt onduidelijk, maar al snel werd dit gebrek aan transparantie gebombardeerd tot een exclusief kenmerk van moskeeorganisaties.

Met de argumentatie en het debat eromheen is iets merkwaardigs aan de hand. In de berichtgeving wordt beweerd dat de overheid gebonden is aan de vrijheid van godsdienst (artikel zes van de Grondwet) en de scheiding van religie en staat onvoldoende wordt uitgevoerd. Die vrijheid van godsdienst betekent in theorie dat religies gelijkwaardig zijn. Daar blijkt in de praktijk natuurlijk weinig van terecht te komen. Niet alleen zijn er talloze voorbeelden waaruit blijkt dat er wat dit betreft met twee maten wordt gemeten, maar ook in praktisch opzicht is een letterlijke uitvoering van dat recht niet haalbaar.

Met dat andere principe, de scheiding van religie en staat, is het nog merkwaardiger gesteld. In de praktijk is de ‘scheiding’ een politiek mantra geworden dat naar believen wordt gebruikt. Wat precies met de scheiding van religie en staat wordt bedoeld is volstrekt onduidelijk. Critici van alles wat met religie te maken heeft en de islam in het bijzonder, zijn van mening dat het hoog tijd wordt dat die scheiding nu echt eens in de praktijk wordt gebracht. Als dat zou gebeuren, dan zou de overheid veel effectiever kunnen ingrijpen. Het zou afgelopen zijn met de facilitering en subsidiëring van religieuze activiteiten, de inmenging door vreemde mogendheden en instanties in het religieuze leven hier en natuurlijk zouden al die schimmige islamitische instellingen die onder het mom van liefdadigheid de jihad prediken, echt eens kunnen worden aangepakt.

Het is duidelijk dat deze critici en ook journalisten die steeds maar weer wijzen op de beperkingen die de scheiding van religie en staat voor de overheid met zich meebrengen, zich niet hebben verdiept in de Nederlandse politieke geschiedenis. Die zouden dan weten dat de dingen veel gecompliceerder in elkaar zitten, maar vooral dat er sinds het in werking treden van de nieuwe wetgeving in de Bataafse Republiek in 1798, eigenlijk nooit sprake is geweest van een wettelijk vastgelegde bepaling die ‘beïnvloeding over en weer’ (tussen staat en religie) verbiedt. Er stond weliswaar dat kerken hun eigen zaakjes moesten regelen en niet meer op de staat konden steunen, maar er stond ook dat de Gereformeerde Kerk niet meer een voorkeursbehandeling kreeg zoals die in de eeuwen daarvoor gold. Gelijkwaardigheid van religies dus eigenlijk.

Sindsdien zijn veel van die bepalingen die de band tussen de staat en religie moeten afzwakken weer verdwenen. Er heeft in elk geval nooit in de Grondwet een artikel gestaan dat staat en religie gescheiden zijn. De politieke geschiedenis van Nederland tot op de dag van vandaag laat zien dat de staat altijd de mogelijkheid heeft gehad in te grijpen en dat ook gedaan heeft. Tegelijk werd de scheiding van religie en staat steeds ingevlogen om de dingen op zijn beloop te laten. Tekenend was de weigering van de overheid om de adviezen van de commissie-Waardenburg in 1983 op te volgen met een beroep op de scheiding van religie en staat. Die commissie pleitte ervoor moskeeën in de opbouwfase waarin ze toen verkeerden juist wel te steunen zodat een ‘Nederlandse islam’ zou ontstaan.

De overheid kan naar believen diep ingrijpen in religieuze zaken of controle uitoefenen op het doen en laten van religieuze organisaties. Er is geen wetgeving die dat verhindert. Die is er nooit geweest. Als groeperingen dingen doen die wettelijk niet zijn toegestaan dan is daar de strafwet. Wat overblijft is artikel één van de Grondwet dat discriminatie moet uitsluiten. Daar hoor je al die critici niet over, maar daarmee mag niet gemarchandeerd worden. Dat artikel garandeert niet alleen godsdienstvrijheid, maar moet voorkomen dat er met twee maten wordt gemeten, zoals keer op keer gebeurt.

DELEN
Thijl Sunier
Antropoloog. Hoogleraar Islam in Europese Samenlevingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Voorzitter van de Netherlands Interuniversity School for Islamic Studies.