Armeniërs, Azerbeidzjanen en abrikozenwodka

Tayfun Balcik
Tayfun Balcik
Programmacoördinator bij The Hague Peace Projects voor de Armeens-Koerdische-Turkse werkgroep. Lid van de Nieuw Amsterdam Raad (Pakhuis de Zwijger).

Lees meer

De Armeens-Nederlandse onderneemster Anush Avetisyan nam Tayfun Balcik mee op een handelsmissie naar Armenië, waarbij hij eerst een week in Turkije bivakkeerde. Hij focuste zich er vooral op de interculturele betrekkingen tussen Armeniërs, Koerden en Turken. Geen gemakkelijke opgave voor een Turkse Nederlander – dat blijkt wel uit zijn vorige column, die gaat over zijn week in Turkije. Vandaag het tweede deel van zijn reis:

‘Zo, het gaat dan nu eindelijk gebeuren’, denk ik bij Istanbul Airport. Eindelijk naar Armenië! In officiële zin ben ik met Armenië al meer dan tien jaar bezig, sinds ik besloot om een scriptie te schrijven over ‘de gebeurtenissen’ tijdens de Eerste Wereldoorlog. Maar geboren in een Turks-nationalistisch milieu zijn de Armeniërs altijd al onderdeel van mijn leven geweest. Als de bad guys, dan. En nu ga ik naar ze toe. In hun eigen habitat. 

De vliegreis is om die reden spannend, zowel bij het verlaten van Turkije als bij het binnenkomen van Armenië. De exit verloopt tot mijn grote opluchting vlekkeloos. Ook mijn entree in Armenië gaat achteraf gezien goed. De douane vraagt alleen of ik naast mijn Nederlandse paspoort nog een ander document had. Ik geef gelijk mijn Turkse ID, die ik bewust in mijn broekzak had gelaten. 

‘Heb je geen Nederlandse ID?’, vraagt de agent.
‘Nee.’
’Ook geen rijbewijs?’
‘Helaas.’

Ik denk ‘Wat is dit?!’, maar houd wijselijk mijn mond. Mijn reisgenoot en missiedeelneemster Fatma is uit ander hout gesneden en gaat zich ongevraagd bemoeien met mijn procedure. Die moet onmiddellijk ook haar papieren laten zien, terwijl ze al was gecontroleerd. Uiteindelijk mogen we allebei door.

Anush Avetisyan, die mij uit op deze handelsmissie uitnodigde, wacht op ons, evenals haar stagiaire. We hadden daarop aangedrongen. Je weet maar nooit in een vreemd land. En dan is het maar goed ook om iemand te hebben die Armeens spreekt.

Anush helpt ons deze nacht, zodat we niet te veel moeten betalen aan de taxichauffeur die ons naar Massiv 9 brengt. In deze hoger gelegen buitenwijk van Yerevan met allemaal Sovjet-flats wonen Anush en haar familie. Voor de komende twee weken zal Massiv 9 het startpunt zijn van al onze plannen. 

Nadat we een beetje zijn gesetteld, wordt een bezoek aan de Cascade-trappen ons eerste wapenfeit. Dit is een gigantisch bouwwerk met aan het uiteinde beneden een plein met cafés en restaurants. Het is dé ontmoetingsplek van Yerevan. Jong en oud, arm en rijk, ze zijn hier allemaal om te eten, een drankje te doen of even te zitten. Kunst uit de hele wereld wordt geëtaleerd. Gelukkig stopt de bus van Massiv 9 dichtbij Cascade en kan ik hier voor 100 dram – ongeveer 20 cent – zo vaak komen als ik wil. 

De eerste ongemakkelijke ‘Turks-Armeense ervaring’ vindt de volgende dag plaats. We gaan met de vader van Anush in zijn Lada naar Etchmiadzin, de moederkerk van de Armeense Apostolische gemeenschap. ‘Ik vraag Anush tussen neus en lippen door of haar vader weet dat hij Turken vervoert. Dat is niet het geval.’

De situatie wordt ongemakkelijker wanneer Fatma een telefoontje van haar familie uit Igdir krijgt en ongestoord Azeri – Azerbeidzjaans – begint te praten. Ik kijk uit mijn linker-ooghoek naar onze chauffeur en merk dat hij dat oppikt. Een lang betoog in het Armeens over de oorlog om (de tegenwoordig door Armenië bezette regio) Nagorno-Karabach met de Azeri’s en de onderdrukking van christenen in het Ottomaanse Rijk begint. We horen het aan.

Bij Etchmiadzin krijgen we een rondleiding. We zien oude tapijten, schilderijen en kledij van geestelijken. Sommige artefacten zijn, zoals de begeleider zegt, ‘gered uit West-Armenië’, het gebied dat door de Turken ‘Zuidoost-Turkije’ wordt genoemd en door de Koerden ‘Bakur’ ofwel ‘Noord-Koerdistan’. Voor de Genocide in 1915 en 1916 woonden er meer dan een miljoen christenen: Armeniërs en Assyriërs.

De kathedraal kunnen we helaas niet in want die wordt gerenoveerd. Wel ontstaat er even discussie over een afbeelding van de Iraanse sjah op de kerk. Dat weetje komt van Fatma: ‘Om vernietiging door de oprukkende Iraanse sjah te voorkomen, zouden de Armeniërs toen zijn afbeelding hebben ingegraveerd.’ Onze chauffeur gaat dat even checken bij een jonge geestelijke, die daar in zijn zwarte gewaad rondloopt.

‘Deze grens is nog steeds gesloten. Voor wat? Deze gronden zijn van ons allemaal’

Ondertussen weten mijn familieleden in Nederland en Turkije nog steeds niks over mijn bezoek naar Armenië. Op social media post ik – behalve foto’s uit Istanbul van een week terug – ook nog niks daarover. Met Anush spreken we de volgende dag af om even de doelstellingen van deze missie scherp te stellen. Onder het genot van een heerlijk kopje koffie bij Tashir Pizza vertel ik haar het volgende.

‘Het gaat mij om de gezamenlijke beleving van Armenië. Iedereen kijkt vanuit andere ogen naar dingen. We zijn bijvoorbeeld gisteren naar Etchmiadzin gegaan en dat was al een hele beleving. Het zou mooi zijn als we zulke uitstapjes met grotere groepen kunnen doen in de toekomst, zodat Armenië langzaam maar zeker uit de vijandelijke beeldvorming komt. En dat kan volgens mij door zoveel mogelijk contact te maken met verschillende individuen en organisaties hier, die ons eventueel zouden kunnen ontvangen.’

Dat is ook wat gebeurt in de dagen die volgen. Zo ontmoeten we Christina Tomosyan van Stichting Imagine, die aan conflictoplossing doet in de Kaukasische regio, samen met filmmaker Davo Avetisyan. Jonge geesten zijn het, die de revolutie van vorig jaar ademen. Ze verzetten zich tegen de corruptie en het aloude nationalisme.

We eten samen en ondernemen een reis naar Goemri, de tweede stad van Armenië met ‘Russische straten’, die vrijwel identiek zijn aan de straten in Kars in Turkije. Beide gebieden zijn namelijk bezet geweest door tsaristisch Rusland. Maar in Goemri zijn de Russen nog steeds niet vertrokken, ze hebben er een militaire basis en er lopen Russische militairen door stad.

Hier ontmoeten we ook parlementariër Hovhannes Hovannisyan. Hij brengt ons naar Khor Virab, een kathedraal bij de Turks-Armeense grens. Precies op het hoogste punt heb ik een kort maar fijn gesprek met een Armeniër uit Frankrijk. Hij is lang geleden met zijn familie uit Turkije vertrokken. Ik hoor hem klagen over onze ‘ezels’ aan de top en ik vertel over mijn activiteiten. ‘Tja’, zegt hij, ‘vanwege een verrot educatiesysteem begrijpen ze jongeren als jullie niet. Kijk, ik ben al ouder dan zestig, jullie zijn nog jong. Maar deze grens is nog steeds gesloten. Voor wat? Deze gronden zijn van ons allemaal.’

Met Hovhannes doen we nog een drankje bij Cascade, waar we toevallig de directeur van het genocide-museum tegenkomen, Harutyun Marutyan. Met hem heb ik de volgende dag een afspraak en hij heeft me twee van zijn artikelen over dialoog als huiswerk opgestuurd. Ik zeg schuldbewust dat ik die nog moet lezen. We geven elkaar een hand en lopen door naar het gezellige Saryanstreet waar shisha’s worden gerookt en de alcohol rijkelijk vloeit.

We gaan aan tafel zitten bij Armeniërs uit de hele wereld en achtereenvolgens krijg ik whisky en abrikozenwodka aangeboden. Denkende aan het museumbezoek en de artikelen, neem ik toch een paar shotjes. En dan komt het gesprek op gang. We vertellen dat we Azerbeidzjanen bij de markt in Vernissage hoorden praten. Een van de tafelgenoten gelooft daar niks van: ‘Ze zouden Armenië niet levend kunnen binnenkomen.’ Toch is de sfeer gemoedelijk. Er wordt gelachen. Het leven is goed. Met een Yandex-taxi gaan we naar Massiv 9 voor 1.500 dram. Niet eens drie euro.

De volgende dag begint met een zwaar hoofd. En dat precies op de meest confronterende dag van de reis: het bezoek aan het genocide-museum. Maar daarover meer bij mijn volgende en laatste column over deze Armenië-reis. 

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here