16.1 C
Amsterdam

Daar stonden wij, het kwaad overwonnen

Lody van de Kamp
Rabbijn en publicist.

Lees meer

Het was 26 jaar geleden geen prettige kennismaking met Polen. Vlakbij het beroemde Paleis van Cultuur en Wetenschap in Warschau stak onze groep van Joodse bezoekers het plein over. Wij werden opgemerkt door een paar stratenmakers. Zij lagen in hun oranje overals op hun knieën om de straat opnieuw te betegelen. De hand van een van hen wees in onze richting. ‘Jitz!’, ‘Joden!’ Diezelfde hand maakte daarna een snijdende beweging langs zijn keel. Zijn maten lachten en ze gingen verder met hun stenen.


Enkele dagen daarna, in de meer oostelijk gelegen stad Lublin, werden wij aan de rand van wat eens het Joodse getto was geweest staande gehouden door een oud vrouwtje. Ik had graag het woord ‘dametje’ gebruikt, maar die betiteling is nu even niet van toepassing. Zij ging pal voor ons staan. Ze schold ons voor Jitz uit, spuugde op de grond, draaide zich om en liep weg.

Deze ervaringen en de indrukken van mijn eerste bezoek aan de vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor deden mij toen in mijn reisverslag verzuchten: ‘Een bezoek aan dit vreselijke land is voor elke Jood bijna een noodzaak. Om het daarna voorgoed de rug toe te keren.’

Dat laatste is mij echter nooit gelukt. Inmiddels heb ik zelfs talloze groepen meegenomen naar het Polen van nu, om hen kennis te laten nemen van de duizend jaar oude Joodse geschiedenis die daar ligt.


Nu, 26 jaar later, ben ik tot de realisatie gekomen dat Polen en Joden niet alleen over pogroms, getto’s en concentratiekampen gaat. Er wonen in Polen ook hele aardige en interessante Polen, die een totaal andere kijk hebben op de Jood en het jodendom. Tijdens de lange tochten door het Poolse landschap begon ik gaandeweg te genieten van de prachtige natuur. Ook kwam ik in aanraking met de rijke Poolse kunst- en cultuurwereld, waar ik mij in die vroege beginperiode uit een soort tegenzin voor afgesloten had.

Onze familie, kinderen en kleinkinderen, betrad de ruimte die de naam ‘gaskamer’ draagt

Een aantal maanden geleden vroeg een van onze kleinkinderen aan mij om hen ook eens mee te nemen naar Polen. ‘Opa, jij maakt altijd zulke reizen naar Polen voor anderen. Waarom doe je dat niet eens voor ons? Liggen de wortels van onze familie voor een groot deel ook niet in dat deel van Europa? Het zijn toch ook onze overgrootouders en andere familieleden die daar zijn omgebracht?’

Vorige maand was het zover. Met onze kinderen en kleinkinderen liepen wij door de straten van het voormalige getto in Warschau. Wij spraken met onze familie onze gebeden uit in hele oude synagogen in de dorpjes in Galicië, waar het Joodse leven ooit bloeide. En wij stonden op die afschuwelijke plaatsen, waar het leek dat de geschiedenis van onze familie daar voorgoed ten einde zou komen. Onze familie, kinderen en kleinkinderen, betrad de ruimte die de naam ‘gaskamer’ draagt. Hier werden tachtig jaar geleden opa’s en oma’s, ooms en tantes, neefjes en nichtjes naar binnen gedreven, voor wie het leven op een onbeschrijfelijke manier ten einde kwam.

Heel zachtjes begon een van de kinderen te zingen… al gauw deden de anderen mee. ‘Hasjiweinoe Hasheem Eleega…’ – ‘Breng ons, Eeuwige, tot U terug, laat ons terugkeren. Vernieuw onze dagen als vanouds’.

Hier stonden wij. Als vanouds. De hel overleefd. Het kwaad overwonnen. Er is geen zoetere wraak dan dat moment, daar op die plek.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -