4.3 C
Amsterdam

Een donkere decemberavond in de trein

Lees meer

Ik schatte ze een jaar of zestig, de twee mannen in mijn coupé. Jasje, dasje, nette schoenen. Het was een donkere decemberavond en de twee kwamen van een kerstborrel. Hoe ik dat weet? Dat was niet te missen. Op luide toon blikten ze terug op hun avond. Gezellig was het geweest, lekkere hapjes ook. Een leuke tent, moesten ze vaker heen.

Het gesprek kabbelde voort, mijn gedachten dreven een andere kant op. Tot ik de ene man tegen de andere hoorde zeggen ‘dat je dat toch niet meer mocht zeggen, tegenwoordig.’ Met andere woorden: foute boel. Dat weten alle vrouwen, LHBTI-ers, moslims, Joden, mensen met een migratieachtergrond en wie er nog meer ervaring heeft met discriminerende uitspraken. Want zodra je witte heteromannen hoort zeggen dat ze iets tegenwoordig niet meer mogen zeggen, volgt er steevast een denigrerende uitspraak over een andere groep of persoon. Iets wat overigens altijd al foute boel was, maar ‘tegenwoordig’ is algemeen bekend dat het foute boel is – wat de foute uitspraak feitelijk nog fouter maakt.

Mijn oren spitsten zich. Dat de ene man in mijn coupé dat -lachend- tegen zijn collega zei, bewees dat hij wel degelijk wist dat het gesprek een foute kant op ging. De reactie van zijn reisgenoot bevestigde dat vermoeden des te meer. ‘Ja maar die woke toestanden kunnen ons toch niet schelen. Lekkere tieten zijn lekkere tieten.’ Om vervolgens de vrouwelijke collega’s op de kerstborrel stuk voor stuk te recenseren naar cupgrootte.

Je zult maar zulke collega’s hebben, was mijn eerste gedachte. Wie weet stonden de dames in kwestie bij de kerstborrel wel nietsvermoedend met beide ‘heren’ te kletsen. Ze moesten eens weten. Mijn tweede gedachte volgde bijna direct daarna: waarom moet ik hier in vredesnaam ongevraagd naar luisteren, in deze treincoupé? De wereld is al zwaar genoeg, met alle ellende die zich dichtbij en verder weg afspeelt. Ik zit helemaal niet te wachten op dit soort bagger.

Zonder blikken of blozen lazen ze mij de les

Ik telde tot drie, draaide me om en sprak de mannen aan. Dat ik dit geen gesprek vond om in een treincoupé te voeren, dat ik het kwetsend vond, en of ze daarmee op wilden houden. Ik vond zelf dat ik me daarmee nog redelijk netjes had uitgedrukt. Maar het was laat, ik was alleen, en had geen zin in ruzie. Dus ik dacht: ik hou het beschaafd. Dat ervoeren de mannen in kwestie toch anders. Als door een wesp gestoken draaiden ze zich om. Wie ik wel niet dacht dat ik was. Links rotwijf. Of ik me niet met mijn eigen zaken kon bemoeien. Dat ik maar moest opsodemieteren naar de stiltecoupé. Dat laatste was inderdaad best een goed idee, maar daarvoor was het nu te laat, ik was al bijna bij mijn eindstation.

Die uitbarsting was behalve heel akelig ook een interessant inkijkje in de belevingswereld van deze mannen. Ten eerste: een beroep op beschaving is blijkbaar ‘links’, seksistische praatjes blijkbaar ‘rechts’. Waarvan akte. Ten tweede: de publieke ruimte is van hen, wie was ik om in hun ogen hadden zij niks om zich voor te schamenhen aan te spreken? TTen derde: in hun ogen hadden zij niks om zich voor te schamen. Zonder blikken of blozen lazen ze mij de les – in plaats van excuses aan te bieden kozen ze voor de frontale aanval.

‘Man, zeg er wat van’ heet de overheidscampagne die vorige maand werd gelanceerd. Ik ben fan. Eindelijk een campagne die mannen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid. En ik voeg er graag aan toe: ‘vrouw, de publieke ruimte is ook van jou.’ Zullen we afspreken dat we in 2026 elkaar gewoon aanspreken op ongepast gedrag? Dat dát de norm wordt, in plaats van ‘je mag tegenwoordig ook niks meer zeggen’. Dat is zó 2025. Weg ermee!

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!
- Advertentie -