Een monument verplaatsen: dat gebeurt dus al

Thomas von der Dunk
Thomas von der Dunk
Publicist. Cultuurhistoricus.

Lees meer

Sinds een aantal weken is één rijstrook van een belangrijke uitvalsweg bij mij om de hoek in Amsterdam afgezet. Men is bezig met de constructie van een groot gedenkteken: het zogeheten Holocaust Namenmonument, ter nagedachtenis van de in de Tweede Wereldoorlog vermoorde Joden aan de Weesperstraat. Daarover is in de voorafgaande maanden het nodige te doen geweest, omdat buurtbewoners het gevaarte veel te groot vonden, en bovendien vreesden dat het tot een te grote toeloop zou leiden. Maar de lobby van de initiatiefnemers bleek sterker.

Bij alle commotie waartoe een en ander leidde, is één aspect wat onderbelicht gebleven, dat juist relevant is voor de discussie die naar aanleiding van Black Lives Matter is opgekomen omtrent de mogelijke verwijdering van openbare standbeelden voor dubieuze Nederlandse historische figuren. Hierbij werd de focus vooral gericht op het beeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn uit 1893. Van Heutsz, niet minder omstreden, heeft in dit opzicht het ‘geluk’ dat zijn monument in Amsterdam-Zuid niet heel concreet hemzelf voorstelde, maar uit een tegen een pyloon geplaatste symbolische vrouwenfiguur bestond. Dat kon zo in 2004, na jarenlange moedwillige (?) verwaarlozing, veel makkelijker tot een veel neutraler klinkend ‘Monument Indië-Nederland’ worden omgedoopt.

Tegen verplaatsing van Coen naar een minder prominente plek (of zelfs naar het naburige Westfries Museum) wordt wel als argument ingebracht dat dit geschiedvervalsing zou zijn, omdat zo een deel van het Nederlandse verleden – te weten de 19de-eeuwse heldenverering voor de VOC – zou worden uitgewist. Een bevriend historicus heb ik zich eens zeer boos zien maken over het idee alleen al – waarbij hij overigens nog geen tien minuten later zonder mankeren zijn vreugde uitsprak over het verdwijnen van al die ‘vreselijke’ Leninbeelden in Oost-Europa. Alsof die niet ginds even goed deel van hún geschiedenis waren…

Die inconsistentie even daargelaten, was zijn boodschap helder: probeer niet het verleden te corrigeren door de fysieke herinnering aan opvattingen uit te wissen die wij nu op grond van onze hedendaagse normen verfoeien. Wel: precies dat is met het nieuwe Holocaustmonument het geval – er moet een ouder monument voor wijken.

Een monument dat inmiddels door de betrokkenen als niet minder pijnlijk wordt ervaren dan het Hoornse standbeeld voor Coen: het zogeheten Monument van Joodse Erkentelijkheid, opgericht uit naam van de Joodse overlevenden als dank aan de Amsterdammers die hen tijdens de Bezetting geholpen zouden hebben. Het stamt uit 1950: uit een tijd dat het Nederlandse zelfbeeld wilde dat zo’n beetje elke Nederlander in het verzet zat, van die paar procent notoire NSB’ers afgezien.

Daar wordt inmiddels, zacht gezegd, wat genuanceerder tegen aangekeken. En met het oog op het internationaal ongekend hoge percentage Nederlandse Joden dat de oorlog niet heeft overleefd, wordt deze Nederlandse zelffelicitatie inmiddels door velen als tamelijk gênant beschouwd. Het is vast niet toevallig dat het nu wijken moet voor een nieuw monument dat niet de dankbaarheid van het bescheiden aantal overlevenden, maar, naam voor naam, het ongelofelijk grote aantal niet-overlevenden memoreert.

Het belichaamt daarmee de historische visie van 2020 en corrigeert zo die van 1950, toen de Jodenvervolging nog veel minder het kernstuk van de nationale oorlogsherinnering vormde en nog veel meer als slechts één van de talloze aspecten van de periode ’40-’45 werd beschouwd. Hierbij werd deze genocide nog niet in een morele buitencategorie geplaatst, maar slechts gezien als extreme uitwas binnen een algehele orgie van geweld.

De geschiedenis ‘vervalsen’ door een pijnlijk gedenkteken te verplaatsen – het kan dus wel

Weliswaar bestaat het voornemen om het monument van 1950 elders weer op te richten – en wel op de plek waar het oorspronkelijk stond alvorens het vanwege de aanleg van de metro moest wijken – maar met de vervanging door het Holocaustmonument wordt toch indirect de geschiedenis vervalst. Althans niet minder dan bij een verplaatsing van het standbeeld van Coen naar een minder prominente plek, of het ‘hergebruik’ van het monument voor Van Heutsz. Men had er immers ook voor kunnen kiezen het nieuwe Holocaustmonument op een andere plek in de buurt op te richten. Maar het moest per se daar.

Kortom: de geschiedenis ‘vervalsen’ door een pijnlijk gedenkteken te verplaatsen – het kan dus wel. Of het in een concreet geval dan ook gebeurt, hangt van de (overtuigings)kracht van de voorstanders af.

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berchtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -

2 REACTIES

  1. Wat heeft een 19e eeuws standbeeld van een 17e eeuwse koloniaal die de Banda eilanden in de Indonesische archipel pacificeerde (lol) nu te maken met 8 afro-amerikanen die per jaar in de VS door de politie onschuldig worden vermoord?

    We kunnen in de Bijlmer trouwens wel een monument oprichten voor de 12.000 blanken en 140.000 Afro-Amerikanen die sinds 2000 door Afo-Amerikanen in de VS zijn vermoord oprichten.

  2. Wat die beelden in Rusland betreft kan de huidige generatie een voorbeeld nemen aan de revolutionairen van 1917: er staan nog overal beelden van tsaren, zelfs van degenen die een bloedbad hebben aangericht, gewoon omdat het prachtige kunstwerken zijn en tot de geschiedenis behoren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here