Het ongemak van België

Kiza Magendane
Kiza Magendane
Schrijver. Publicist. Politicoloog. Beleidsondernemer.

Lees meer

Op 14 oktober vonden provinciale en gemeentelijke verkiezingen plaats in België. Ik liep door de straten van Antwerpen, waar ik als export-Amsterdammer al anderhalve maand woon, en zocht naar de rijen. Alle volwassenen in België zijn verplicht om te stemmen, dus ik had Afrikaanse toestanden verwacht: mensen die vanaf ‘s ochtends vroeg voor de stembureaus verzamelen. Niet om de nieuwste Nike-schoenen of iPhone te kopen, maar om hun stem uit te brengen. Een feest voor de democratie. Maar ik kon geen rijen vinden, de enige rij die ik vond was een groep studenten voor een pinautomaat. Zij hadden geld nodig om in het café verderop biertjes te drinken.

Een dag na de verkiezingen leerde ik dat een kleine wijk in Brussel een zwarte burgemeester krijgt. Pierre Kompany, de vader van Rode Duivels-voetballer Vincent Kompany, werd de eerste zwarte burgemeester van België. ‘Het is geschiedenis, felicitaties aan mijn vader’, reageerde Vincent Kompany blij op Instagram. Er volgde euforie onder de zwarte Belgische gemeenschap. Alsof zwarte Belgen honderdvijftig jaar in de rij moesten staan om eindelijk burgemeester te zijn en dan blij zijn om het feit dat ze eindelijk een kleine gemeente van Brussel met circa vierentwintigduizend inwoners onder hun hoede mogen nemen. Ahmed Aboutaleb, de burgemeester van de grootse economie van Nederland, lacht zich kapot.

Aan het eind van de negentiende eeuw kreeg de Belgische koning Leopold II Congo als zijn privé-eigendom. Met een grote prijs. De Belgen behandelden de Congolezen als beesten, die vooral dienden om zoveel mogelijk grondstoffen (rubber) voor hem op te halen. Hij creëerde een koloniaal leger dat Congolezen moest mobiliseren om zoveel mogelijk rubber op te halen om aan de internationale behoefte te voorzien. Er werd in Congo een rubberquotum ingesteld. Als je niet genoeg rubber verzamelde, kon je geëxecuteerd worden. In de meeste gevallen werden handen van Congolezen die niet genoeg rubber hadden verzameld afgehakt. Enerzijds als afschrikmiddel, maar anderzijds zodat de soldaten aan hun commandanten konden bewijzen dat ze geen dure kogels hadden gebruikt in het vermoorden van iemand die het rubberquotum niet had gehaald. Naar schatting verloren tien miljoen Congolezen hun leven door deze Belgische hebzucht.

Als ik op het mooie treinstation van Antwerpen ben of de verschillende prachtige parken en gebouwen van Brussel aanschouw, word ik telkens weer herinnerd aan hoeveel Congolees bloed en grondstoffen hieraan is verloren. Ondertussen heeft Leopold een grote status in Brussel, als een held waar het land trots op is. Deze zomer, op het muziekfestival Pukkelpop, schreeuwden enkele aangeschoten witte Belgische jongens tegen twee zwarte meisjes ‘handjes kappen, de Congo is van ons’. Ze zongen die woorden in hetzelfde ritme, met een daarbij horende melodie. De publieke verontwaardiging werd duidelijk, omdat het een bekend liedje is in bepaalde kringen in de Belgische studentenwereld en jeugdbeweging. Ik vroeg me af of de studenten in de rij voor de pinautomaat straks in de kroeg hetzelfde liedje zouden gaan zingen.

Het is Belgen gelukt om hun land op te bouwen tot één van de meest ontwikkelde landen op aarde. Er zijn geen rijen tijdens de verkiezingen omdat verkiezingen hier, anders dan in de meeste Afrikaanse landen, goed zijn georganiseerd. Niemand hoeft kilometers te lopen om een stembureau te vinden en bijna de hele bevolking kan lezen en schrijven. Toch is het verrassend om te zien dat ondanks deze relatieve vooruitgang, België er niet in slaagt om te gaan met haar pijnlijke verleden. Een verleden dat zwarte mensen reduceert tot beesten. Zwarte Belgen mogen dan hun eerste zwarte burgemeester vieren, maar ik hoop dat ze de regie over hun handen en voeten nemen. Ze moeten niet weer honderdvijftig jaar in de rij wachten terwijl anderen over hun lot beslissen.

- Advertentie -

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here