‘Kijk, dit is onze allochtone kandidate’

Ewoud Butter
Ewoud Butter
Politicoloog. Hoofdredacteur van de nieuws- en opiniewebsite Republiek Allochtonië.

Lees meer

De eerste politici die niet hun roots in Nederlandse klei hadden, maakten langgeleden hun intrede in de Nederlandse politiek. In 1933 werd Roestam Effendi geïnstalleerd als Tweede Kamerlid voor de Communistische Partij Holland, de latere Communistische Partij van Nederland. Een kleine tien jaar later, in 1942, werd Pangeran Adipati Soejono voor een jaar minister zonder portefeuille, toegevoegd aan de minister van Koloniën in het tweede kabinet Gerbrandy in ballingschap. Daarna duurde het tot de jaren tachtig en vooral de jaren negentig tot er steeds meer politici met een migratieachtergrond kwamen.

Zelf was ik als net afgestudeerd politicoloog in 1990 onder andere werkzaam voor het Amsterdamse project Binnengemeentelijke decentralisatie. In het kader daarvan waren door de gemeente, politieke partijen, het Amsterdams Centrum Buitenlanders en migrantenorganisaties Amsterdammers met een migratieachtergrond aangemoedigd actief lid te worden van politieke partijen en zich verkiesbaar te stellen voor een deelraad. Er werden uiteindelijk achttien Turkse en drie Marokkaanse Amsterdammers verkozen voor verschillende partijen. Een deel van hen heb ik in het kader van dit project vier jaar en sommigen acht jaar of langer gecoacht. Sommigen waren getalenteerde politici, anderen hadden misschien wel een grote achterban, maar amper een benul van de beginselen van hun partij. Het gebeurde in die tijd geregeld dat op de lijst van een progressieve partij een conservatieve kandidaat met een grote moskeeachterban stond. Van begeleiding van beginnende politici was in die tijd nog maar amper sprake.

De scholing van politici verbeterde, maar wat betreft de positie van politici met een migratieachtergrond bleef het lang behelpen. Twaalf jaar geleden maakte ik het nog mee dat een Tweede Kamerlid van een linkse partij een voortreffelijke kandidate van Marokkaanse herkomst op een receptie haar voorstelde als ‘kijk, dit is onze allochtone kandidate’. Vier jaar geleden werd ik op de valreep in paniek gebeld door leden van twee verschillende kandidatencommissies met de vraag ‘Ewoud, heb je nog een allochtone kandidaat voor ons?’ Nee, die had ik op die termijn niet.

Deze voorvallen illustreren voor mij vooral dat veel politieke partijen amper werk maakten van een divers en inclusief beleid. Diverse partijen zijn daar inmiddels, hier en daar, vaak schoorvoetend, wel aan begonnen, maar het zijn meestal nog steeds tamelijk witte bolwerken.

Islamitische partijen
Toen in 1978 in de Tweede Kamer werd gedebatteerd over het kiesrecht van niet-Nederlandse ingezetenen, waarschuwde Bart Verbrugh van het Gereformeerd Politiek Verbond voor de komst van islamitische partijen. ‘Gezien de achtergrond van de islamitische wet, die sterke openbare consequenties heeft, is het geenszins uitgesloten dat deze groep waar mogelijk tot eigen partijvorming overgaat’, verklaarde Verbrugh. ‘Het is geen fantasie als we veronderstellen dat we over een aantal jaren in sommige gemeenteraden een belangrijke moslimfractie aan zullen treffen en wie weet in de toekomst nog wel eens een moefti als wethouder. Belangrijker dan dit soort voorspellingen is evenwel het feit dat deze mensen hun geestelijk, wettelijk vaderland niet hier hebben, maar elders. Zij zullen door hun visie een vreemd lichaam in onze politiek worden en dat ook blijven.’

Het duurde ruim vijfentwintig jaar voordat de eerste pogingen werden ondernomen moslimpartijen op landelijk niveau op te richten. De Arabisch Europese Liga (2005) en de Islam Democraten (2005) waren de eersten die een poging waagden, daarna volgde de Nederlandse Moslimpartij. De eerste pogingen faalden door gebrek aan ervaring, intern gekonkel of door het besef dat moslims niet alleen een electoraal kleine groep (circa vijf procent van de kiesgerechtigden), maar ook een intern een te verdeelde groep vormden om politiek een vuist te kunnen maken.

In de grote steden, waar moslims tien tot vijftien procent van het electoraat vormen, lagen meer kansen op politieke invloed. Vandaar dat er de afgelopen tien jaar, vooral in Den Haag en Rotterdam, de eerste islamitische partijen ontstonden die wel zetels in de gemeenteraad haalden.

Partijen als Denk, de grote winnaar van de laatste gemeenteraadsverkiezingen, en op bescheidenere schaal Nida, vormen een volgende stap in het proces van politieke participatie van Nederlanders met een migratieachtergrond.

Het succes van deze partijen is allereerst te danken aan hun organisatiegraad. Het zijn niet meer migranten van de eerste generatie die aan de touwtjes trekken, maar goed opgeleide jongeren die hier geboren en getogen zijn.

Dat leidt meteen tot een tweede verklaring voor het succes. Meer nog dan op hun islamitische roots, doen deze politieke partijen een beroep op het sentiment dat bij veel kinderen of kleinkinderen van migranten heerst. Ze zijn het zat om als buitenstaanders behandeld te worden. Ze zijn hier geboren en getogen Nederlanders, die niet meer hoeven te integreren en geaccepteerd willen worden. Ze zijn het integratiedebat, dat de laatste twintig jaar vooral beheerst werd door witte identiteitspolitiek, beu. Diversiteit, inclusiviteit, mensenrechten en de aanpak van discriminatie zijn de belangrijkste progressieve thema’s voor deze partijen.

Met deze thema’s en een anti-establishment-houding kunnen ze een breder publiek aanspreken dan met een voornamelijk islamitische agenda. Niet alleen de zogenaamde tweede generatie, die onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders inmiddels groter is dan de eerste, maar ook Nederlanders zonder migratieachtergrond. Vergelijkbaar is de strategie van Bij1 dat het in Amsterdam goed deed onder Amsterdammers van Surinaamse en Antilliaanse herkomst.

In hoeverre deze partijen blijvertjes zijn, zal afhangen van de mate waarin ze zelf als geloofwaardig worden ervaren als het om mensenrechten, inclusiviteit en diversiteit gaat. Zeker Denk is wat dat betreft, met een stevig Turks fundament en weinig kritische houding ten opzichte van Turkije, kwetsbaar.

Het succes van deze partijen zal uiteindelijk vooral bepaald worden door de mate waarin het de andere, gevestigde partijen lukt zich aan te passen aan een diversere samenleving. Wanneer deze partijen niet inclusiever worden, zullen Nederlanders met een migratieachtergrond via partijen als Denk, Nida en Bij1 hun plek opeisen.

- Advertentie -

1 REACTIE

  1. Ik wil twee dingen toevoegen.

    1. Als, zoals Ewoud Butter aangeeft, het succes van partijen als Nida, Denk en Bij1 verklaard wordt door hun voortdurend tamboereren op ‘het sentiment’ dat migranten in Nederland slecht behandeld worden en niet geaccepteerd worden, dan zal bij deze partijen een nog sterkere cultus van dat sentiment ontstaan.

    Met de reële feiten hoeft die cultus weinig uit te staan hebben. En wie binnen of buiten de partij hardop durft twijfelen aan het realiteitsgehalte van de cultus, zal worden weggezet als ‘ontkenner’ of ‘verrader’ (en, als hij toevallig een wit kleurtje heeft, ‘geprivilegieerde koloniale racist’). Of, nog wat gemakzuchtiger, ‘je bent zelf geen …., dus je kunt er niet over meepraten’.

    Kortom, de aanhang van Denk, Bij1 en Nida zal bij hoog en laag blijven volhouden dat migranten het in Nederland ontzettend slecht hebben en dagelijks allerlei zichtbare en ‘latente’ vormen van discriminatie ondergaan. Ze zullen een permanent verontwaardigde klaagcultuur bijdragen aan de Nederlandse politiek; en moeten dat wel, anders valt hun bestaansgrond weg.

    2. Hoe moeten andere partijen daar verstandig op reageren? Ewoud Butter ziet heil in het ‘inclusiever’ maken daarvan. Dat kan natuurlijk puur op poppetjesniveau (meer kandidaten-met-een-migratieachtergrond c.q. kleurtje). Maar het kan ook op beleidsniveau, en dat is nou net het niveau waarop Denk, Nida en Bij1 willen aanstormen.

    Wat mogen we op dit vlak verwachten? Ja, een verbod op Zwarte Piet natuurlijk, maar wie weet ook quota voor migranten in publieke functies; gebedsruimten in bibliotheken, scholen en winkelcentra; meer gescheiden uren in zwembaden; hoofddoekjes, keppeltjes en tulbanden voor agenten, advocaten en rechters; kerkelijke organisaties in de publieksbetaalde zorg en welzijn; verzuilde regionale televisie; religieuze rechtbanken voor familiezaken; 5 mei wordt ‘Diversiteitsdag’, enfin, vul het lijstje zelf maar aan.

    Er zal voortdurend gevraagd, geëist en politiek afgedwongen worden; en nooit zal het genoeg zijn want de cultus moet hooggehouden worden. Moeten andere partijen daarin meegaan? Kunnen ze de groei van Nida, Bij1 en Denk met hun verongelijktheidscultus remmen door ze hun politieke zin te geven? Worden VVD, D66, CDA, PvdA en GL daardoor een ‘inclusiever’ tegenwicht van formaat?

    Ik betwijfel het. Wie bevattelijk is voor die cultus en het wij-tegen-zij-gevoel dat ermee gepaard gaat, zoekt zijn heil eerder bij ‘the real thing’. Niet bij partijen met een paar ‘gekleurde’ kandidaten in de gelederen en af en toe een concessie op het diversiteitsvlak. Maar bij ‘gekleurde’ partijen die van de Grote Verongelijktheid eerst hun focus, en toen hun politieke succes hebben gemaakt – met dank aan de buigzame ‘witte elite’.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here