‘Een kind is gewoon een kind’

Foto: Boyd Smith
‘Mertens viel op bij de jury omdat ze zich inzet om kinderen een stem te geven en ze actief te laten meedenken over hun school en over hun onderwijs.’

Basisschooljuf Daisy Mertens (31) werd in Nederland al uitgeroepen tot Leraar van het Jaar 2016 en is nu in de race voor de internationale variant. Op zondag 24 maart hoort Mertens in Dubai of ze de Global Teacher Prize (ter waarde van één miljoen dollar) wint. De bevlogen leerkracht werkt al jaren op een multiculturele school in een multiculturele wijk in Helmond, een heel bewuste keuze. Sterker nog: ze zou niets liever willen.

‘Ik vind het heel interessant om mensen van verschillende culturen en met verschillende beweegredenen met elkaar te verbinden’, aldus Mertens. ‘Zo is onze hele maatschappij ook ingericht: het is niet zo dat er slechts één nationaliteit en één cultuur bestaat.’ Als je haar vraagt of ze niet ook eens op een witte school aan de slag zou willen, schudt ze resoluut haar hoofd: nee. Daarvoor koestert ze de diversiteit van haar huidige basisschool De Vuurvogel in Helmond (vierhonderdveertig leerlingen, dertig nationaliteiten) veel te veel.
‘Ik heb weleens stage gelopen op zo’n heel witte school hoor, in een klas met dertig kinderen. Maar dat was zo saai: je floot tijdens de gym één keer en ze gingen direct keurig allemaal op de lijn staan, alle dertig. Ik wil mensen juist verbinden door hun overeenkomsten en verschillen op te merken, en zo laten zien dat een onderscheid in huidskleur of geloof helemaal niet van belang is. Als je alleen maar mensen kent die net als jij naar de kerk – of net als jij naar de moskee – gaan, dan denk je nooit na over de alternatieven. Maar het is zo leerzaam om te weten dat er ook mensen zijn die naar een tempel gaan, of thuis een altaar hebben. Kinderen vinden speciale klederdrachten ook altijd ontzettend interessant en vragen dan: ‘Waarom heb jij dit vandaag aan? Waarom draag jij een hoofddoek? Waarom doet hij of zij communie en waarom mag je dan zo’n mooi setje kleren aan?’ Maar ja, al die verschillen kun je niet laten zien op een witte school.’

Bekrompen dorp

Zo’n dertien jaar geleden zat er een heel andere aspirant-juf Daisy in de schoolbanken van de pabo. Eentje die er niet aan moest dénken om voor een klas met bi-culturele kinderen te staan. Sterker nog: toen ze eenmaal een stage toegewezen kreeg, moest Mertens heel hard huilen. ‘Het was basisschool De Flierefluit in Venray, een school met heel veel Turkse en Marokkaanse kinderen.’ Maar onbekend maakt onterecht onbemind, weet ze inmiddels. ‘Ik zat vroeger zelf op een basisschool tussen de witte ‘rich kids’ en woonde in een dorp in een nieuwbouwwijk waar mensen bij wijze van spreken meteen wegliepen als ze een Marokkaan tegenkwamen. Maar mijn moeder zei over die stage: ‘Schat, geef het gewoon een kans, misschien vind je het heel leuk.’ Nou, ik was er pas drie uur toen ik het al fantastisch vond en nooit meer weg wilde uit zo’n multiculturele omgeving.’

Mertens geeft dit jaar les aan groep zeven. Een klas van vijfentwintig kinderen met in totaal negen verschillende nationaliteiten: ze komen onder andere uit Polen, Turkije, Syrië, Iran, Marokko en Portugal. Al merkt de juf in de dagelijkse schoolpraktijk daar eigenlijk weinig van. ‘Kinderen worden allemaal hetzelfde geboren. Ze hebben natuurlijk allemaal een ander karakter, maar ik weet niet in hoeverre dat te maken heeft met afkomst. Er zitten in mijn klas bijvoorbeeld een paar jongens die wat feller zijn, maar als je een felle Nederlandse vader hebt, kun je die eigenschap natuurlijk evengoed hebben.’ Al wil ze de factoren cultuur, religie en afkomst niet helemaal negeren, benadrukt ze. ‘Ik weet wel dat bijvoorbeeld Turkse ouders vaak minder Nederlands tegen hun baby en peuter praten dan Nederlandse ouders. Daardoor begrijp ik beter waarom ze met een taalachterstand naar de basisschool gaan.’

Hele dag taal

En juist die taalachterstand, waarvan sprake is bij zestig tot zeventig procent van haar leerlingen, daar is Daisy de hele dag mee bezig. Ongeacht het vak dat ze op dat moment geeft: bij rekenen en geschiedenis komen net zo goed nieuwe woorden aan bod. Mertens: ‘Ons lokaal is één en al taal, overal hangt wel íets wat taalondersteunend is. Dat kan ook een poster zijn met woorden die te maken hebben met bijvoorbeeld Karel de Grote. Met alle woorden die aan de muur hangen doen we regelmatig spelletjes, met een bal bijvoorbeeld.’ De kinderen mogen dan overgooien en wie aan de bal is moet één van de woorden uitleggen in de juiste voorbeeldcontext. Ook stimuleert Mertens haar leerlingen om bij elk onbekend woord dat ze tegenkomen naar de betekenis te vragen of een woordenboek te pakken. ‘Kinderen denken al gauw: laat maar. Maar stel: je bent in China en je kent maar zeventig procent van de taal. Zie maar iets te begrijpen als je niks weet te brouwen van die overige dertig procent.’ Mertens ziet de woordenschat van haar leerlingen groeien: ‘Dan hoor je ze later ineens het woord ‘enigszins’ gebruiken.’

Over taal gesproken: de juf voert regelmatig oudergesprekken met ouders die de Nederlandse taal nog niet volledig machtig zijn. ‘Ik voer ze sowieso altijd met de leerling erbij, maar soms moet het kind dan ook tolken. Hoe ik het gesprek zal voeren, stem ik vooraf altijd af op wat voor een ouder ik tegenover me krijg. Hoe moet ik communiceren? Is het handig als ik bijvoorbeeld wat grafiekjes laat zien ter ondersteuning? Maar ja, je oudergesprek aanpassen op de ouder, dat zou ik op een witte school natuurlijk ook doen. En als een kind tolkt, dan vraag ik na het gesprek soms wel of de ouder kort kan herhalen wat ik heb gezegd. Dan weet ik zeker dat de boodschap is overgekomen.’ Maar één ding is voor Mertens wel duidelijk: bij moeilijke gesprekken mag het kind niet tolken. ‘Dan heb ik liever een tante ofzo als tolk.’

Foto: Boyd Smith

Arabische woorden

In haar klas praten de kinderen áltijd Nederlands met elkaar, zo luidt de regel. Zo niet, dan kijkt Mertens even met haar juffenblik de kant van de leerlingen op en springen de meesten direct weer in het gareel. Alhoewel: ‘Ik word echt niet boos als ze bijvoorbeeld tijdens een project ineens dingen in hun moedertaal gaan benoemen. Soms vinden ze het gewoon leuk om te vertellen dat, ik noem maar wat, het woord ‘tapijt’ in hun taal heel iets anders blijkt te zijn. Dat is dan niet erg. Je moet elkaar blijven begrijpen.’

Terug naar de Global Teacher Prize, de jaarlijkse wedstrijd met ruim tienduizend inzendingen wereldwijd. Mertens viel op bij de jury omdat ze zich inzet om kinderen een stem te geven en ze actief te laten meedenken over hun school en over hun onderwijs. Ze geeft een voorbeeld: ‘Laatst wilde ik een klein project met de kinderen doen over de feestdagen. Het zou vooral gaan over kerst en nieuwjaar, dacht ik. Maar mijn leerlingen vonden het veel te klein. De één zei: ‘Wij vieren thuis geen kerst, wij vieren Offer- en Suikerfeest.’ Een ander zei: ‘Nee, ik vier dat wel.’ Een derde vroeg zich af: ‘Maar wat vieren Joden dan eigenlijk?’ Uiteindelijk zijn de kinderen op eigen initiatief een project over alle wereldgodsdiensten gestart, waarin we ook alle gebedshuizen bespraken. Een paar moslimkinderen zijn toen op bezoek gegaan bij de pastoor van de kerk in de buurt. Dat wilden ze zelf graag, omdat ze daar benieuwd naar waren.’

Meer zelfvertrouwen

Juist dát siert Mertens, aldus de Global Teacher Prize-jury: door leerlingen mee te laten bepalen hoe hun onderwijs eruit ziet, zonder het curriculum en de leerdoelen uit het oog te verliezen, haalt ze het beste uit de kinderen naar boven. Mertens somt de voordelen op: ‘Het maakt ze creatiever, geeft ze zelfvertrouwen en ze leren er oplossingsgericht denken. Bovendien zijn leerlingen niet bang om zomaar te zeggen wat ze vinden. Omdat ze zonder gêne met een andere blik naar de wereld kijken, heeft de leerkracht daar ook wat aan.’

Iets wat Mertens ook belangrijk vindt, is echt luisteren naar een kind. Niet ondertussen met twintig andere dingen bezig zijn, of ja en amen knikken terwijl je gedachten ergens anders zijn. En ook luisteren naar de praatjes die op het eerste gezicht niets met school te maken hebben. ‘Als leerkracht moet je goed op de hoogte zijn van een kind. Wees daarom nieuwsgierig: een kind komt de school met een bepaalde achtergrond, vráág daarnaar. Of het nou paardrijdt of naar de moskee gaat, dat zégt iets over een kind. Een meisje in mijn klas geeft bijvoorbeeld les in de moskee, dus de manier waarop zij haar geloof uitoefent is wat intenser dan kinderen die alleen het Offerfeest en het Suikerfeest vieren. Als je dat weet door met haar over haar leven buiten school te praten, leer je: hier komt bepaald gedrag van een kind vandaan.’

Gewoon een kind

Maar of een kind nou uit Polen of uit Nederland komt, op paardrijles of op koranles zit, een hanenkam heeft of een hoofddoek: als het puntje bij paaltje komt is een kind gewoon een kind, benadrukt Mertens nogmaals. En zo bijzonder of ‘anders’ is een multiculturele school dus ook weer niet. ‘Uiteindelijk maakt het niet uit hoe je er uitziet, wat je achtergrond is of wat je geloof is. Het gaat per slot van rekening maar om één ding: liefde tussen mensen is universeel. En laat die liefde dan de verbindende factor zijn tussen mensen.’

DELEN