‘Je kan geen muur zetten tussen je vaderland, je geschiedenis en je toekomst’

Lees meer

Schrijver en journalist Said el Haji geeft sinds 2017 Nederlandse les aan nieuw- en oudkomers. In zijn nieuwe boek Gemeente zegt ik Nederlands leren deelt hij zijn ervaringen als taaldocent.

El Haji debuteerde in 2000 met De dagen van Sjaitan, dat enthousiast werd onthaald. In 2006 stelde hij met Annelies Verbeke 25 onder de 35 samen, een bloemlezing van nieuwe Vlaams-Nederlandse schrijvers. In dat jaar verscheen ook Goddelijke duivel, zijn tweede roman, en in 2011 De aankondiging, een roman over pre-islamitisch Arabië. In 2014 verscheen zijn voorlaatste boek, de bundel Sta op en leef, vader.

El Haji was nooit van plan om een boek te schrijven over de cursisten in zijn NT2-klas (Nederlands als tweede taal). Af en toe plaatste hij op Facebook korte berichten over zijn ervaringen als docent. Zijn Facebook-vrienden reageerden enthousiast en wilden dat hij meer schreef.: ‘Dus bleef ik schrijven’, zegt El Haji. ‘Op een gegeven moment zeiden sommigen: ‘Joh, je moet er een boek van maken.’’

Waarom ben je als docent gaan werken?

‘Als schrijver kom ik vaak op scholen voor schrijfworkshops, dus ik had al ervaring met les geven. En drie-en-een-half jaar geleden zat ik een beetje in een crisis. Ik was bezig met een roman, maar dat liep niet goed. Toen zag ik een vacature voor een docent NT2. Het was vlak bij mijn huis. Dus ik besloot: lekker, ik ga les geven.’

Gemeente zegt ik Nederlands leren, (Beeld: Uitgeverij Jurgen Maas)

Je werd niet gedreven door idealisme?

‘Nee, helemaal niet. Ik had gewoon werk nodig. Maar toen ik aan de slag ging, werd ik gegrepen door het werk. Ik vind het overdragen van kennis en ervaringen superleuk. Daarom doe ik het nog steeds. Sterker nog, ik heb dit jaar de opleiding tot NT2- docent gedaan en ik hoop in november mijn diploma te krijgen.’

Wat wil je dat de lezer begrijpt door dit boek te lezen?

‘In de eerste plaats wil ik laten zien hoe het eraan toegaat in zo’n les. Wat voor mensen er komen, hoe de relaties zijn, onderling en met de docenten. We horen in de media vooral over taalscholen als het niet goed gaat. Ik denk dat mensen mijn Facebookverhaaltjes leuk vonden, omdat ik de menselijke kant toon van taallessen en taalscholen. En de lezers zien dat ik mij niet boven mijn leerlingen plaats, ik maak ze niet belachelijk. Als docent leer ik van hen over culturen, over hoe je met mensen omgaat, over hoe je duidelijk moet communiceren om misverstanden te voorkomen. Maar vooral leerde ik om niet te snel te oordelen.’

‘Er zijn bijna 180 nationaliteiten in Rotterdam, bijna de hele wereld komt hier en ik geef ze Nederlandse les. Prachtig’

Je schrijft over cursisten die decennia in Nederland wonen, maar slecht Nederlands spreken, een uitkering ontvangen en de taal niet willen leren. Ben je niet bang dat je de negatieve perceptie over bijvoorbeeld Marokkaanse Nederlanders versterkt?

‘Er wordt al heel lang geschreven over Marokkanen, Turken, en Antillianen. Soms negatief en soms positief. Sommige problemen, zoals overlast, criminaliteit en geweldpleging spelen al heel lang. Dat is niet alleen de schuld van die mensen zelf, maar ook van de politiek en de aard van de Nederlanders. Die zijn vaak direct en stoten je dan af. Ze doen het niet expres, ze willen je geen pijn doen, maar zo zijn ze. Het is hun cultuur. De politiek heeft ook fouten gemaakt. Er is heel lang gedacht dat de problemen vanzelf zouden weggaan. Maar dat is niet zo. Kijk maar naar oudkomers die hier al dertig of veertig jaar wonen. De integratie is bij sommigen van hen juist slechter geworden. Ze schamen zich voor hun werkloosheid en hebben zichzelf opgesloten in hun huizen. Ze vertrouwen alleen op hun kinderen en op God. Dat is niet goed voor hun gezondheid en niet goed voor hun integratie. We moeten niet denken: z’Ze willen niet, ze kunnen niet, laat ze maar zitten.’ Nee, we moeten ze helpen, daar gaat mijn boek over.’

Wie is volgens jou verantwoordelijk voor het slechte Nederlands van deze mensen? De overheid of zijzelf?

‘Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. De overheid heeft de verantwoordelijkheid om mensen te helpen, dus om te zorgen dat die mensen taalles krijgen. De mensen zelf hebben de verantwoordelijkheid om hun best te doen en de taal te leren. Die duidelijkheid was er heel lang niet, maar nu wel. Er is decennialang geroepen dat nieuwkomers moeten integreren. Integratie is geen helder doel. Wat is integratie? Wanneer ben je klaar met integreren? Je moet als overheid heldere doelen stellen, zodat de mensen weten wat er van hen verwacht wordt. Nu heeft de overheid de plicht geformuleerd: ‘Wij bieden jullie taalcursussen aan en jullie moeten komen. Jullie moeten laten zien dat jullie iets hebben geleerd.’’

‘Door de omgang met andere culturen word je gewezen op je eigen arrogantie’

Je schrijft dat je blij bent met de multinationaliteit van Rotterdam. Waarom eigenlijk?

‘Ik houd van reizen. Ik heb vroeger veel gereisd. Met dit werk komt de wereld naar mij toe. Ik hoef niet meer naar Australië of naar Cuba; ik kan reizen in de taal die ik het beste spreek. Er zijn bijna 180 nationaliteiten in Rotterdam, bijna de hele wereld komt hier en ik geef ze Nederlandse les. Prachtig.’

‘Leve de nieuwkomer! Geen verfrissender elan dan dat van de nieuwkomer’, lezen we in je boek. Wat voegt de aanwezigheid van nieuwkomers toe aan de Nederlandse samenleving?

‘Ervaringen met mensen uit andere culturen vergroten ons mensbegrip. Je bent dan minder geneigd om jezelf op te sluiten in je eigen cultuur. Ik denk dat ik heel tolerant en vriendelijk ben en niemand haat, maar als ik met sommige cursisten ben voel ik toch vooroordelen en negatieve gevoelens. Het is goed om daarmee geconfronteerd te worden. Dat geldt niet alleen voor mij, maar voor alle Nederlanders. Nederlanders kunnen heel arrogant zijn en denken dat ze het allemaal beter weten. Door de omgang met andere culturen word je gewezen op je eigen arrogantie. Een beetje bescheidenheid zou goed zijn voor dit land.’

Wat vind je van de manier waarop in Nederland wordt omgegaan met nieuwkomers?

‘Nu is er meer oog voor nieuwkomers dan voorheen. We hebben geleerd van de eerste fouten met de eerste nieuwkomers. En we proberen het beter te doen. Als we vluchtelingen binnenlaten is het niet van: ‘Oké, het komt vanzelf goed’. Nee, dan wordt er gezorgd dat er taallessen zijn, dat ze worden opgenomen in de samenleving, en dat ze werk krijgen.’

Je kwam naar Nederland toen je zes jaar oud was. Het Nederlands is de taal die je het best spreekt en je partner is Nederlander. Maar je drukt in het boek ook je woede uit over het negeren van de rechten van de Amazigh – de Berbers – in Marokko. Waarom maak je je hier boos over?

‘Het is onbewust. Ik spreek de Berbertaal Tamazight alleen met mijn moeder, omdat ze geen Nederlands spreekt. Ik denk niet dat ik honderd procent Nederlander ben. Ik geloof dat ik wel degelijk iets heb meegekregen vanuit mijn achtergrond. Noem het trots. Als mensen er vanzelfsprekend van uitgaan dat ik Nederlander ben of Marokkaan en dus Arabier, dan voel ik mij miskend. Ze doen alsof Marokko alleen Arabisch is, daar ben ik het niet mee eens. Ik wil erkend worden als mens, maar ook om wie ik ben. Ik heb lang gedacht: ‘Laat Marokko maar, ik woon hier en ik ben Nederlander.’ Maar zo simpel is het niet. Ik heb wel degelijk dingen anders ervaren dan geboren Nederlanders. Mijn Nederlandse vriendjes gingen voetbalen, toen ze ouder werden bier drinken, ik mocht het allemaal niet. Ik moest naar de moskee, ik moest de koran van buiten leren, bidden. Waarom zo anders? Nu ik langzaam ouder word, ga ik daarover nadenken en begrijp ik dat je niet in een keer kan zeggen ‘Ik ben Nederlander, klaar.’ Je kan geen muur zetten tussen je vaderland, je geschiedenis en je toekomst.’

Nu u hier toch bent...

Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berchtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.

Vertel mij meer!

- Advertentie -