‘Populisme kanaliseert onbehagen in de samenleving’

Foto: Joia de Jong. Roy Kemmers (Delft, 1980) is docent Sociologie aan het Erasmus University College in Rotterdam en is promovendus aan de afdeling Bestuurskunde en Sociologie aan de Erasmus Universiteit. Als cultuursocioloog is hij voornamelijk geïnteresseerd in processen van culturele verandering, die zichtbaar zijn in politiek, religie, identiteit, geslacht en etniciteit. Zijn proefschrift gaat over het politiek onbehagen in Nederland. Hij is ook redacteur van het populair wetenschappelijk tijdschrift Sociologie Magazine.
Overal komen populisten via de stembus in het zadel. Toch staan veel kiezers ambivalent tegenover hun keuze. Hoe werkt dat? ‘Mensen vertrouwen politici niet zomaar meer.’

Het populisme viert hoogtij. Populistische partijen doen het niet alleen goed in Nederland, maar ook elders in Europa en daarbuiten. Met de verkiezing van Donald Trump als president van Amerika loopt dat land zelfs voorop in die ontwikkeling. Veel burgers die ontevreden zijn over bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen of de gevestigde politieke orde uiten die onvrede door te stemmen op een populistische partij. Roy Kemmers, promovendus en docent Sociologie aan de Erasmus Universiteit, probeert het politiek onbehagen van zulke burgers te begrijpen. Hij sprak met boze burgers en kwam tot de ontdekking dat die niet altijd tevreden zijn met hun stem op een populist. De Kanttekening sprak hem.

Hoe komt het dat het populisme zo groot is geworden?
‘Er zijn daar veel theorieën over. De meest dominante daarvan is die van de ‘globaliseringsverliezers’. Veel mensen zien dat de modernisering en globalisering heeft plaatsgevonden en dat dit niet voor iedereen goed heeft uitgepakt. De hoogopgeleiden hebben ervan geprofiteerd. Laagopgeleiden zagen hun banen bijvoorbeeld vertrekken naar lagelonenlanden en de frustratie die ze daarbij voelen, eventueel gecombineerd met een anti-immigratie-sentiment, wordt verwoord door populisten. In Nederland was dat eerst Pim Fortuyn, daarna Geert Wilders en nog wat mensen ertussen. De frustratie van de verliezers van de modernisering zeg maar.’

Klopt die theorie dan niet?
‘De zojuist genoemde theorie neemt niet in ogenschouw dat mensen zelf een betekenis geven aan die verandering. Hoe mensen er zelf toe zijn gekomen om op een populistische partij te gaan stemmen of om helemaal niet te gaan stemmen, om zich maar tegen de gevestigde orde te keren. Ik was benieuwd hoe mensen daar zelf invulling aan geven. Dus die moderniseringsverliezers-theorie is wel plausibel, want het zijn vooral laag opgeleide mensen die op die partijen stemmen, met iets lagere inkomens, maar als je wil weten waarom ze op die partijen stemmen, moet je met ze gaan praten en dat heb ik gedaan.’

Wat zijn uw bevindingen?
‘Ik merkte dat mensen zich niet van de één op andere dag tegen de gevestigde politiek keerden, maar dat het een geleidelijk proces is. Mensen hebben altijd een introductie nodig van zo’n boodschap tegen de gevestigde orde. In Nederland deed vooral Fortuyn dat. Hij maakte hen bewust van een bepaald probleem of dat er iets moest gebeuren. Maar iemand kan zich ook inlezen op een website of een boek. Daarna proberen mensen zich toch wat meer te verdiepen in het populisme en komen ze erachter dat er meer mensen zijn die zo denken. Ik sprak een man, met een christelijke achtergrond, die had zich verdiept in de islam en zijn mening was toen dat de islam geen religie was en niet gelijkgesteld kon worden met het christendom. Hij vond de islam een gevaar voor de samenleving op basis van zijn eigen onderzoek en hij heeft dat aangekaart bij een grote christelijke partij, zodat die daar meer stelling tegen kon nemen. Maar die partij was daar niet ontvankelijk voor. En dat is dan reden voor zulke mensen om op een populistische partij te stemmen, omdat hun ongenoegen niet door de instituties wordt gehoord, waardoor ze zich uiteindelijk afkeren van de gevestigde politiek.’

Stemmen mensen uit onvrede op een populistische partij? Is het een tegenstem?
‘Dat is zeker zo. Maar ik ben zelf vooral geïnteresseerd in waarom mensen een hekel hebben gekregen aan de gevestigde politiek. Ik heb interviews gehouden met PVV- stemmers en niet-stemmers. Onder die twee categorieën is het onbehagen over de politiek het grootst. Er zijn mensen die zeggen dat populisme en de democratie op gespannen voet met elkaar staan, want populisme is er uitsluitend voor de wil van het volk, terwijl democratie ook over de rechten van minderheden hoort te gaan. Daarbij is de rechtsstaat belangrijk, maar die staat op zijn beurt weer de wil van het volk in de weg. Hoewel er discussies zijn of het bijdraagt aan de democratie of dat het daar afbreuk aan doet, zijn de meesten het erover eens dat het populisme onbehagen in de samenleving kanaliseert en dat dat aspect ervan democratisch gezien goed is.’

Waarom?
‘Het kanaliseert het onbehagen dat bij mensen leeft ten aanzien van de instituties. Je zou dan wel verwachten dat mensen die op een populistische partij stemmen de voldoening van die kanalisering ervaren, want ze voelen zich vertegenwoordigd in het parlement en de instituties. En van niet-stemmers zou je verwachten dat ze dat soort voldoening missen.’

Hoe effectief zijn populistische partijen in het kanaliseren van die ontevredenheid?
‘Dat is inderdaad de vraag. Ik ontdekte dat die theorie voor sommige ontevreden burgers opgaat, maar lang niet voor allemaal. Van de mensen die ik sprak blijkt een deel blij te zijn op de PVV gestemd te hebben en heeft daar voldoening uit gehaald, maar niet-stemmers halen er weer geen voldoening uit. Maar ik kwam ook PVV-stemmers tegen die helemaal niet zo tevreden waren met hun stem en die voldoening niet ervoeren en ik sprak weer niet-stemmers die wél die voldoening hadden. Dat is dus niet zo makkelijk te begrijpen vanuit die kanaliseringstheorie.’

Hoe valt dat te verklaren?
‘Ik heb gemerkt bij mijn interviews dat er bij de mensen iets onder zit, iets wat niet echt benoemd wordt, wat de verschillen tussen PVV-stemmers en niet-stemmers wel kan verklaren. Ik heb dat machtsoriëntatie genoemd. Dat geeft weer dat die mensen het idee hebben hoe de macht in elkaar zit en verdeeld wordt in de politiek. Enerzijds zijn er mensen met een transparante machtsoriëntatie, die vinden dat de macht in Den Haag ligt, bij de regering en het parlement, waar Wilders niet bij de gevestigde orde hoort. Anderzijds is er de ondoorzichtige machtsoriëntatie, mensen met deze oriëntatie geloven niet in Den Haag als centrum van de macht, maar dat er achter de schermen juist grote machten zijn die aan de touwtjes trekken, zoals de multinationals, de Linkse Kerk, de Bilderberg-groep, vage elites zeg maar. Als je dat onderscheid neemt, merk je dat bij de eerste groep, die theorie over het kanaliseren werkt. De PVV-stemmers zijn blij dat Geert daar zit, hen vertegenwoordigt en precies zegt wat ze willen en de niet-stemmers, met de transparante machtsoriëntatie, zeggen dat ze er in Den Haag een zooitje van hebben gemaakt en dat ze niet meer mee willen doen. Daar is een gebrek aan voldoening, omdat ze ervoor kiezen om niet meer mee te doen in de enige arena die er voor hen politiek toe doet.’

Is er nog een andere kant?
‘Het is ook om te draaien. Er zijn aan de kant van de mensen met een ondoorzichtige machtsoriëntatie ook PVV-stemmers die niet tevreden zijn met hun stem op Wilders en die vinden dat het het toch niet waard geweest is. Ze denken dat de gevestigde orde toch aan de macht blijft en alles wat Wilders voorstelt naar de prullenbak verwijst. De niet-stemmers met deze oriëntatie vinden hun niet-stem juist een politieke daad, waarmee ze willen aangeven dat stemmen toch geen zin heeft. Dus niet-stemmen geeft hen veel voldoening, omdat ze een punt kunnen maken. Voor allebei de kanten is wat zij doen de werkelijkheid.’

Biedt het populisme een identiteit?
‘Ik denk het wel. Er zijn hele grote Facebook-groepen van mensen die op Wilders stemmen of die nationalistisch zijn. Daarin wordt zo’n identiteit wel gecultiveerd. Ze vinden daar mensen zoals zichzelf en willen zich daarbij aansluiten. Dat is prettig en dat werkt heel goed. Je voelt je dan echt verbonden met mensen die er dezelfde ideeën op nahouden.’

Waarom blijven sommige stemmers gefrustreerd nadat ze op een populistische partij hebben gestemd?
‘Als die mensen het idee hebben dat het toch allemaal niet bepaald wordt in Den Haag, dat het dus niet transparant gebeurt en dat de voorstellen van de PVV niet op hun waarde worden beoordeeld, maar juist worden weggestemd, puur omdat ze van Wilders komen, dan krijgen ze het gevoel dat ze het voor niks gedaan hebben. Dat er grotere machten spelen en dat hun stem toch niet telt. Het algemene punt is dat het in Den Haag niet gebeurt en dat er zelfs meer bepaald wordt bij de Europese Unie, waardoor ze hier helemaal niks meer te zeggen hebben.’

Hoe komt het dat burgers zo wantrouwend tegenover de politiek staan?
‘Al sinds de jaren zestig zijn er heilige huisjes omver geschopt, is er een patroon van detraditionalisering en is het gezag van gevestigde instituties steeds minder vanzelfsprekend. Er is sprake van wantrouwen in de politiek, bijvoorbeeld omdat politici ontmaskerd worden nadat ze steekpenningen hebben aangenomen, maar ook in de wetenschap en ook in de rechterlijke macht. Mensen vertrouwen politici niet zomaar meer.’

Bieden populistische partijen altijd een redelijke oplossing?
‘Wat ze wel doen is veel zaken politiseren, bepaalde dingen idealiseren. Vaak wordt gezegd dat alles maar bestuurbaar moet zijn, dat er consensus moet komen, dat partijen water bij de wijn moeten doen en dat ze er samen wel uitkomen, maar de vraag is of de idealen daarmee niet gaan verwateren. Mensen als Fortuyn en Wilders gaan juist niet voor het pragmatische, maar juist voor de idealen.’

Noemt u populistische partijen idealistisch?
‘In zekere zin is dat natuurlijk zo. Margaret Canovan, een bekende expert uit de jaren tachtig en negentig, gaf al aan dat de politiek twee kanten heeft: het pragmatische en het verlossende en dit laatste, het nastreven van idealen. De pragmatische kant is meer het nemen van verantwoordelijkheid. Het populisme legt de nadruk op die verlossende kant, de wil van het volk en leunt daar heel zwaar op. Zonder concessies te doen aan verantwoordelijkheden zoals de rechtsstaat, de rechten van minderheden of verdragen die in de weg zitten. Fortuyn zei dat Artikel 1 maar afgeschaft moest worden als hij zijn punt niet kon maken en Wilders wil niet geregeerd worden door allerlei Europese verdragen, omdat hij vindt dat de soevereiniteit van het land door dergelijke verdragen overschaduwd wordt. Op zo’n manier kun je het punt maken dat ze gaan voor de redemptieve kant, of je zou het idealistisch kunnen noemen. Het is in die zin een tegencultuur tegen de technocratie, het besturen om het besturen, net als dat vroeger in de jaren zestig gebeurde.’

Hoe gaat de bevolking om met het populisme?
‘Dat is een beetje de vraag voor de toekomst. Je ziet nu dat het stemmen op populistische partijen effect gaat krijgen, in die zin dat het regeringen en de koers van een land gaat beïnvloeden. Kijk maar naar de Brexit of naar Amerika, waar Trump nu aan de macht is. Vroeger was er een soort cordon sanitaire rondom die partijen, waarin niet met populisten of anti-immigratie-partijen werd samengewerkt. In Nederland zag je dat al bij Janmaat en zijn partij Centrum Democraten. Maar dat waren partijen die geen regeringsverantwoordelijkheid hadden en dat is nu aan het omslaan. Wilders heeft al meegedaan aan een gedoogconstructie en in omliggende landen zie je dat ook steeds meer. Het is dus zeer interessant om te kijken hoe dit zich in de toekomst verder gaat ontwikkelen, hoe mensen eronder zijn en wat ze ervan merken. Ik ben ook benieuwd of mensen gaan zeggen dat het nu wel klopt, als populisten meer aan de macht komen.’

DELEN
Jesse Voorn
Journalist gespecialiseerd in politiek en maatschappij.